ECLI:NL:RBZWB:2026:1296

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/390
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inkomstenbelasting 2016 afgewezen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016, maar diende dit bezwaar ruim na de wettelijke termijn in. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende voerde als reden een latere wijziging in juridisch inzicht aan, maar dit werd door de rechtbank niet als verontschuldigbaar beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken bedroeg, startend na dagtekening of verzending van het aanslagbiljet. De dagtekening was 7 december 2018, waardoor de termijn eindigde op 18 januari 2019. Het bezwaar werd pas op 28 november 2024 ontvangen, ruim na deze termijn. Omdat belanghebbende binnen de termijn had kunnen reageren maar dat niet deed, kon een latere reden de termijnoverschrijding niet verontschuldigen.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat het beroep ook deels gericht was tegen de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering. Omdat belanghebbende niet had gereageerd op de vraag of de bezwaarfase overgeslagen mocht worden, werd dit deel van het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank droeg de inspecteur op het beroepschrift als bezwaar tegen de ambtshalve beslissing in behandeling te nemen.

De rechtbank sprak geen proceskostenveroordeling uit en maakte de uitspraak openbaar zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt en bevat informatie over de mogelijkheid tot verzet.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldigbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/390

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Italië), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 januari 2025. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2016 met [aanslagnummer] .
2. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Voor zover het beroep gericht is tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering in de brief van 14 januari 2025, is deze kennelijk niet-ontvankelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
5. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
6. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag IB/PVV 2016 7 december 2018 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 18 januari 2019. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 28 november 2024 ontvangen. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was toen ruimschoots verstreken.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
7. Belanghebbende geeft als reden voor de termijnoverschrijding de beslissing van de rechtbank van 30 mei 2024 [5] over de aanslagen IB/PVV over de jaren 2017 tot en met 2019. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. In het geval een belanghebbende wel in staat is geweest om binnen de wettelijke termijn bezwaar te maken, zoals hier het geval, maar dat niet heeft gedaan omdat hij daartoe toentertijd geen reden had, kan een nadien opgekomen reden, zoals een wijziging in juridisch inzicht, niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. [6]
Ambtshalve beslissing
8. De inspecteur heeft in de brief van 14 januari 2025 het bezwaar van belanghebbende tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. Uit het beroepschrift van belanghebbende volgt dat het tevens is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Tegen deze ambtshalve beslissing moet echter als uitgangspunt eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. Dit is anders indien partijen instemmen met direct beroep (prorogatie).
9. Belanghebbende heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank met de vraag of hij de bezwaarfase wenst over te slaan. De rechtbank heeft daarom alleen het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar beoordeeld en niet ook de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank zal het beroepschrift mede aanmerken als bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en de inspecteur opdragen om het bezwaar in behandeling te nemen. Feitelijke doorzending van het beroepschrift zal achterwege blijven, aangezien de inspecteur al over de stukken beschikt.

Conclusie en gevolgen

10. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Voor zover het beroep is gericht tegen de ambtshalve beslissing, is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank zal de inspecteur opdragen om de daartegen aangevoerde gronden te behandelen als bezwaar. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing; en
 draagt de inspecteur op het beroepschrift in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3484.
6.Vgl. Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062, Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368.