ECLI:NL:RBZWB:2026:1238

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
24/7212
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 8:32 AwbArt. 629 Boek 7 BWArt. 76a Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonsanctie terecht opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een loonsanctie opgelegd door het UWV aan een werkgever (eiseres) wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor haar arbeidsongeschikte werknemer. De loonsanctie verlengt de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De werkgever betwistte dit besluit en voerde aan dat zij het advies van de bedrijfsarts had gevolgd en dat het UWV haar eigen beleid niet juist toepaste.

De rechtbank stelt vast dat de werknemer sinds mei 2022 arbeidsongeschikt is en dat het UWV na een arbeidskundig onderzoek concludeerde dat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer te re-integreren. Met name werd het tweede spoor-traject te laat gestart, namelijk pas in december 2023 terwijl dit uiterlijk in juli 2023 had moeten gebeuren. Ook was het tweede spoor-traject onvoldoende gericht op het vinden van passend werk dat aansluit bij de belastbaarheid van de werknemer.

De rechtbank volgt de arbeidsdeskundigen die oordelen dat er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt en dat de werkgever tekort is geschoten in haar verplichtingen. Het feit dat de werkgever het advies van de bedrijfsarts volgde, ontslaat haar niet van verantwoordelijkheid. De vaste rechtspraak stelt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie, ook voor de adviezen van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de loonsanctie terecht is opgelegd. De werkgever krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat de loonsanctie van 52 weken terecht is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

V.O.F. [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres,

(gemachtigde: mr. A.W. Boer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van eiseres met 52 weken omdat sprake is van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie). Eiseres is het niet eens met de opgelegde loonsanctie. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op goede gronden de loonsanctie heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 8 mei 2024 heeft het UWV aangegeven dat eiseres niet voldoende heeft gedaan om haar [(ex-)werknemer] (hierna: (ex-)werknemer) te re-integreren. Het UWV heeft de loondoorbetalingsverplichting van eiseres aan haar
(ex-)werknemer met 52 weken verlengd tot 23 mei 2025.
2.1.
Met het bestreden besluit van 10 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De (ex-)werknemer heeft geen toestemming verleend voor kennisneming van stukken die medische gegevens bevatten door eiseres. Hij heeft verder aangegeven niet als belanghebbende aan het geding deel te nemen.
2.4.
Bij beslissing van 20 maart 2025 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat geen beperkingen gelden bij de kennisneming door eiseres van de stukken.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [vertegenwoordiger] , de gemachtigde van eiseres en namens het UWV mr. M.B.A. van Grinsven.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. (Ex-)werknemer is werkzaam geweest als herenkapper in dienst van eiseres, voor 38 uur in de week. Hij is op 27 mei 2022 uitgevallen. Op 1 maart 2024 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Na een beoordeling door een arbeidsdeskundige heeft het UWV geconcludeerd dat eiseres te weinig re-integratie-inspanningen heeft verricht.
3.1.
Met het besluit van 8 mei 2024 heeft het UWV de loondoorbetalingsverplichting van eiseres aan haar (ex-)werknemer met 52 weken verlengd tot 23 mei 2025. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Na arbeidskundig onderzoek in bezwaar, is op 10 september 2024 het bezwaar ongegrond verklaard.
Grondslag van het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit ligt een rapportage van arbeidsdeskundige bezwaar & beroep (hierna: arbeidsdeskundige b&b) [arbeidsdeskundige b&b] van 9 september 2024 ten grondslag.
De arbeidsdeskundige b&b heeft gerapporteerd dat de primaire arbeidsdeskundige terecht heeft gesteld dat er ten tijde van de toetsing geen bevredigend re-integratieresultaat was bereikt. Er had op uiterlijk 8 juli 2023 een tweede spoor-traject moeten zijn opgestart, maar dat is pas in december 2023 gebeurd. Er bestond ten tijde van de eerstejaarsevaluatie geen concreet zicht op structurele hervatting binnen de eigen organisatie voor tenminste 65% loonwaarde, waarbij duidelijk was dat een beter re-integratieresultaat binnen of buiten de eigen organisatie niet haalbaar was.
Op het moment van toetsing werkte de (ex-)werknemer weliswaar gedurende 20 uur per week bij een andere werkgever, maar perspectief op een dienstverband voor meer uren ontbrak. Na de plaatsing bij [taxibedrijf] in [plaats 2] zijn er geen acties ondernomen waarmee een hogere loonwaarde kon worden bereikt. Er werd geen gedegen onderzoek naar de mogelijkheden van de (ex-)werknemer verricht. Door het re-integratiebedrijf is geen persoons- en zoekprofiel opgesteld. Het traject is uitsluitend gericht geweest op plaatsing bij het taxibedrijf en op begeleiding op medisch gebied.
Juist vanwege de grote schommelingen in de belastbaarheid en het moeilijke herstelproces was het van groot belang om te onderzoeken welke werksoorten voor de (ex-)werknemer passend zouden kunnen zijn. Een dergelijk onderzoek heeft niet plaatsgevonden, waardoor niet duidelijk is geworden of de (ex-)werknemer is hervat in werk dat bij zijn belastbaarheid past. Geconcludeerd is dat er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt en dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. De arbeidsdeskundige b&b stelt dat er geen deugdelijke grond is voor deze tekortkomingen. De verlengde loondoorbetaling is daarmee terecht opgelegd.
Beroep
5. Volgens eiseres is de loonsanctie ten onrechte opgelegd. Zij is uitgegaan van het oordeel van de bedrijfsarts, die aangaf dat het herstel van de (ex-)werknemer geleidelijk vorderde en dat verwacht werd dat de (ex-)werknemer geleidelijk verder kon toewerken naar volledige terugkeer binnen drie maanden in eigen werkzaamheden. Dit is de reden dat eiseres heeft gewacht met het opstarten van een tweede spoor-traject. Het is aan het UWV om aannemelijk te maken dat de bedrijfsarts tekort is geschoten in zijn medische beoordeling. Een dergelijke medische motivering van een verzekeringsarts ontbreekt. Het UWV gaat voorbij aan haar eigen beleid.
Op het moment dat het slechter ging met de (ex-)werknemer is uiteindelijk re-integratie in het tweede spoor ingezet. Van een positieve invloed op de re-integratie door coaching, begeleiding of gerichte sollicitatie is geen sprake. Het is louter een kwestie van wisselende fysieke belastbaarheid waardoor de (ex-) werknemer op sommige momenten tot meer in staat was dan op nadere momenten.
Toetsingskader
6. Op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA legt het UWV kortgezegd een loonsanctie op als blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Deze beoordeling is gebaseerd op in ieder geval een arbeidskundig onderzoek. Als sprake is van medische vragen of onduidelijkheden vindt ook een onderzoek door een verzekeringsarts plaats.
6.1.
Op grond van artikel 65 van Pro de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Deze beoordeling is gebaseerd op in ieder geval een arbeidskundig onderzoek. Als sprake is van medische vragen of onduidelijkheden vindt ook een onderzoek door een verzekeringsarts plaats.
6.2.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter [1] (hierna: de Beleidsregels) is het toetsingskader voor het UWV opgenomen. Het UWV zal eerst moeten beoordelen of er sprake is van een bevredigend resultaat. Is er geen bevredigend resultaat dan zal het UWV moeten beoordelen of de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Is hiervan geen sprake en de werkgever heeft geen deugdelijke grond daarvoor, dan zal het UWV een loonsanctie opleggen.
Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter van belang, waarmee het UWV aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verlangd. In deze zaak is punt 4.3.1 van belang, waarin staat vermeld dat een tweede-spoortraject uiterlijk binnen 6 weken na de Eerstejaarsevaluatie (in de 52e verzuimweek) moet worden gestart. Re-integratieactiviteiten in spoor 2 kunnen na de eerstejaarsevaluatie alleen achterwege blijven als er binnen 3 maanden een concreet perspectief is op structurele werkhervatting binnen de eigen organisatie in eigen, aangepast of ander passend werk dat zo dicht mogelijk aansluit bij de functionele mogelijkheden.
6.3.
Omdat het loonsanctiebesluit een voor de werkgever belastend besluit is, is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Het gaat bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Daarbij is niet vereist dat het UWV concreet aangeeft welke stappen de werkgever moet ondernemen. Wel moet de door het UWV gegeven motivering zodanig concreet zijn dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming bestaat. [2]
Oordeel van de rechtbank
7. De beoordelingsperiode is 27 mei 2022 (ziekmelding) tot 8 mei 2024 (datum van het primaire besluit). De rechtbank zal hierna toetsen aan de hand van de in de Beleidsregels en Werkwijzer opgenomen toetsingskaders.
Is een bevredigend resultaat bereikt?
8. Volgens de Beleidsregels is er sprake van een bevredigend resultaat wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting die min of meer aansluit bij de belastbaarheid van de werknemer. Die hervatting moet een structureel karakter hebben. De werkhervatting heeft een structureel karakter als aannemelijk is dat de werknemer na afloop van de loondoorbetalingsperiode in de arbeid die hij is gaan verrichten, kan blijven werken. [3]
8.1.
De primaire arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 8 mei 2024 aangegeven dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. (Ex-)werknemer is werkzaam voor 20 uur per week bij een andere werkgever, maar er ontbreekt vooralsnog perspectief op een dienstverband voor meer dan 20 uur per week. Daarbij werd verwezen naar correspondentie met [taxibedrijf] , waarin werd gemeld dat zij op dat moment 20 uur per week als het maximaal belastbaar ziet, dat er wel mogelijkheden zijn om meer te werken, maar dat de inschatting op dat moment is dat dit niet haalbaar is, al kan er wel naar worden toegegroeid.
De primaire arbeidsdeskundige concludeerde dat geen sprake is van passend werk met een structureel karakter met een loonwaarde van meer dan 65% van het oorspronkelijke loon (van voor de eerste ziektedag) en het gaat in deze situatie ook niet over een situatie die bereikt is na een intensieve re-integratie. Na de plaatsing bij het taxibedrijf zijn er verder namelijk geen acties ondernomen ten aanzien van bijvoorbeeld verder zoeken naar passend werk waar een hogere loonwaarde bereikt kan worden. Er is in deze situatie geen sprake van een bevredigend re-integratie-resultaat.
De arbeidsdeskundige b&b heeft in de rapportage van 9 september 2024 zich hierbij aangesloten en heeft hieraan toegevoegd dat het juist aan een gedegen onderzoek naar de mogelijkheden van de (ex-)werknemer heeft ontbroken. Er werd door het re-integratiebedrijf geen persoons- en zoekprofiel opgesteld. Het traject is gericht geweest op de plaatsing bij het taxibedrijf en begeleiding op medisch gebied. Dat hoort echter niet tot het tweede spoor traject. Juist vanwege de grote schommelingen in de belastbaarheid en het moeilijke herstelproces was het van groot belang om te onderzoeken welke werksoorten voor de (ex-)werknemer passend zouden zijn.
Zijn de re-integratie-inspanningen voldoende geweest?
9. Volgens de Beleidsregels moet bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en de werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Daarbij geldt als volgorde dat eerst wordt ingezet op hervatting in eigen werk (al dan niet aangepast), dan wel in een andere passende functie bij eiseres dan wel een andere passende functie bij een andere werkgever. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van een werkgever al het mogelijke wordt verwacht om zijn arbeidsongeschikte werknemer in passend werk te re-integreren. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt volledig bij de werkgever. [4]
9.2.
De primaire arbeidsdeskundige stelt in de beoordeling van het re-integratieverslag van 8 mei 2024 dat de inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest. Er is te laat een tweede spoor-traject ingezet. Zodra geen zicht meer bestaat op structurele werkhervatting binnen de eigen organisatie, dient namelijk een adequaat tweede spoor-traject te worden gestart om de werkhervattingskansen te vergroten. Het tweede spoor-traject moet volgens de Werkwijzer Poortwachter uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie worden gestart, in dit geval had het uiterlijk op 8 juli 2023 van start moeten gaan. Er was toen immers nog geen structurele hervatting van het eigen werk en er was ook geen sprake van een loonwaarde van tenminste 65%. Het tweede spoor-traject is echter pas in december 2023 van start gegaan, waardoor re-integratietijd en re-integratiekansen zijn gemist.
Bovendien is volgens de primaire arbeidsdeskundige het re-integratietraject naar de arbeidsmogelijkheden buiten de organisatie niet adequaat geweest. Dit blijkt uit de verschillende voortgangsrapportages van de bedrijfsarts. Er is geen sprake van concrete sollicitaties, er is geen persoons- en zoekprofiel opgesteld en er is niet voldaan aan de kortste route naar passend werk. De focus binnen het re-integratietraject heeft gelegen op een traject gericht op werk en begeleiding als taxichauffeur, met begeleiding op medisch gebied. Dat behoort niet tot de inhoud van het tweede spoor.
De arbeidsdeskundige b&b heeft in aanvulling op de beoordeling door de primaire arbeidsdeskundige in de rapportage van 9 september 2024 aangegeven dat eiseres in bezwaar heeft gewezen op het oordeel van bedrijfsarts [bedrijfsarts] in de eerstejaarsevaluatie van 30 mei 2023. De bedrijfsarts geeft hierin aan dat indien herstel zich op gelijke wijze voortzet, wordt verwacht dat de (ex-)werknemer geleidelijk kan toewerken naar volledige terugkeer in eigen werkzaamheden. Anders dan eiseres meent, bestond volgens de arbeidsdeskundige b&b op dat moment geen concreet perspectief op werkhervatting bij de eigen werkgever. Uit de eerdere periodieke terugkoppelingen van de bedrijfsarts van januari, februari en maart 2023 volgde dat herstel van de (ex-)werknemer niet vooruit ging en dat opbouw in eigen uren niet lukte. In de eerstejaars-evaluatie van de bedrijfsarts van 30 mei 2023 staat dat de verwachting is dat de (ex-)werknemer binnen de komende drie maanden geleidelijk verder kan toewerken naar volledige terugkeer in eigen werkzaamheden als herstel zich op gelijke voet voortzet. Dit duidt volgens de arbeidsdeskundige b&b op een behoorlijke onzekerheid ten aanzien van de kans op volledig werkhervatting in eigen werk. Er was voldoende aanleiding voor de bedrijfsarts om te adviseren over te gaan op een twee-sporenbeleid.
De arbeidsdeskundige b&b heeft verder gesteld dat het tweede spoor traject enkel gericht is geweest op plaatsing bij het taxibedrijf. Juist vanwege de grote schommelingen in de belastbaarheid en het moeilijke herstelproces was het van belang om te onderzoeken welke werksoorten voor de ex-werknemer passend zouden zijn. Een dergelijk onderzoek heeft niet plaatsgevonden, waardoor niet duidelijk is of de ex-werknemer is hervat in werk dat bij zijn belastbaarheid past.
9.3.
De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van de arbeidsdeskundigen over de re-integratie inspanningen. Het UWV heeft afdoende gemotiveerd dat het traject bij de eigen werkgever te ongewis was en er daarmee geen sprake was van zicht op structurele werkhervatting. Het tweede spoor-traject had eerder moeten zijn gestart. Door het eerst in december 2023 opstarten van een tweede spoor-traject zijn re-integratiekansen gemist. Het niet tijdig overgaan met het opstarten van een tweede spoortraject is de verantwoordelijkheid van de werkgever, in dit geval eiseres.
De rechtbank overweegt verder dat de arbeidsdeskundige b&b afdoende heeft gemotiveerd dat er geen onduidelijkheid is geweest over de door de bedrijfsarts vastgelegde belastbaarheid, waarvan is uitgegaan in het gehele re-integratieproces. Er is daarom geen aanleiding geweest om aan de juistheid van de medische beoordeling van de bedrijfsarts te twijfelen. Dat is ook de reden geweest dat er bij de toetsing van de re-integratie-inspanningen geen verzekeringsarts is ingeschakeld. De rechtbank kan dit volgen.
Het UWV heeft eveneens, gelet op hetgeen onder 9.2 is weergegeven, voldoende gemotiveerd dat het tweede spoor-traject dat uiteindelijk is opgestart ook niet adequaat is geweest. Het UWV heeft dan ook terecht gesteld dat er sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen.
Is er sprake van een deugdelijke grond?
10. Uit het voorgaande blijkt dat eiseres niet voldoende re-integratie inspanningen heeft verricht. Dat rechtvaardigt in beginsel dat een loonsanctie wordt opgelegd. Dit is alleen anders als er sprake is van een deugdelijke grond.
10.1.
Eiseres heeft in dit kader betoogd dat zij de adviezen van de bedrijfsarts heeft gevolgd. Bij de eerstejaarsevaluatie heeft de bedrijfsarts gesteld dat een arbeidsdeskundig onderzoek niet van toegevoegde waarde was indien het herstel verloopt zoals verwacht. Op 21 september 2023 was het advies van de bedrijfsarts dat er een arbeidsdeskundig onderzoek moest plaatsvinden met als doel volledige terugkeer in eigen werk. Op 18 december 2023 was het advies van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige dat moest worden overgegaan naar spoor 2, wat vervolgens ook is gebeurd. Er zijn volgens eiseres geen aanknopingspunten voor het oordeel van het UWV dat zij redenen had moeten hebben te twijfelen aan de adviezen van de bedrijfsarts.
10.2
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie, inclusief de door hem ingeschakelde deskundigen. [5] Het volgen van een onjuist advies van de eigen bedrijfsarts komt volgens vaste rechtspraak voor het risico komt van de werkgever. [6] De CRvB ziet geen aanleiding de ‘voor rekening en risico’ -benadering bij loonsancties, zoals dit in de rechtspraak tot op heden is neergelegd, niet langer te volgen. Hieruit volgt dat eiseres verantwoordelijk is voor de re-integratie, inclusief de advisering van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts.
De rechtbank is, gelet op deze rechtspraak van oordeel dat het UWV in het feit dat eiseres het advies van de bedrijfsarts heeft gevolgd, terecht geen deugdelijke grond heeft aangenomen voor het te laat inzetten van het tweede spoor. Het feit dat eiseres, zoals zij in bezwaar heeft aangegeven, weinig verstand heeft van de regelgeving omtrent re-integratieverplichtingen doet hieraan niet af.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het voorgaande heeft het UWV terecht geconcludeerd dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht door het niet inzetten van het tweede spoor, terwijl hiervoor geen deugdelijke grond aanwezig was. De loonsanctie is terecht opgelegd.
12. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 25 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Artikel 25, negende lid,
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. […]
Artikel 65
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een re-integratie-verslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voorzover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde […] in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.
Beleidsregels beoordelingskader poortwachter
Artikel 1
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, het beoordelingskader zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.
Bijlage
Voorafgaande aan de beoordeling van het recht op uitkering verricht het UWV eerst de poortwachterstoets. In dit kader beoordeelt het UWV allereerst of er voldoende re-integratieresultaat is bereikt, en als dat niet zo is of werkgever en werknemer samen gedurende de eerste twee jaar van ziekte voldoende inspanningen hebben verricht om de functionele mogelijkheden zo veel mogelijk te vergroten en de bestaande arbeidsmogelijkheden zo goed mogelijk te kunnen benutten in het eigen bedrijf of bij een ander bedrijf. Na een positief oordeel over de geleverde inspanningen wordt het recht op uitkering beoordeeld; na een negatief oordeel wordt de beoordeling van het recht op uitkering opgeschort en loopt de loondoorbetalingsplicht van de werkgever maximaal
52 weken door (loonsanctie) totdat de vereiste re-integratie-inspanningen hebben plaatsgevonden.
Er is sprake van een bevredigend resultaat wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van dit beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft.
Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.
De medische aspecten bij re-integratie betreffen de vaststelling van de mogelijkheden die de werknemer nog heeft ten aanzien van eigen werk en eventuele andere passende arbeid. Deze medische beoordeling dient als uitgangspunt voor de vaststelling van mogelijkheden om de belastbaarheid te vergroten (herstel) en van de re-integratie-inspanningen.
De bedrijfsarts begeleidt de werknemer tijdens ziekte, beoordeelt diens mogelijkheden om te functioneren en adviseert van daaruit over de re-integratie. Het UWV toetst aan het eind van de eerste twee ziektejaren of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht en of het resultaat daarvan plausibel is, in aanmerking genomen de functionele mogelijkheden van de werknemer; zonodig wordt de verzekeringsarts daarbij ingeschakeld.
Het is de taak van de bedrijfsarts om de hiervoor geschetste medische beoordeling te verrichten en de werkgever en werknemer te ondersteunen en te adviseren ten behoeve van de verzuimbegeleiding en re-integratie. De bedrijfsarts verricht zijn beoordelende en begeleidende taak aan de hand van de voorgeschreven processtappen tijdens de ziekteperiode. De bedrijfsarts stelt bijvoorbeeld bij dreigende langdurige ziekte een probleemanalyse op en adviseert daarin werkgever en werknemer inzake mogelijke interventies en maatregelen. Voorts verantwoordt de bedrijfsarts het medische handelen en zijn actueel medische oordeel aan het eind van de eerste twee ziektejaren in het medische deel van het re-integratieverslag. Op basis hiervan is de verzekeringsarts in staat om zijn beoordeling van de medische aspecten in het kader van de poortwachterstoets en claimbeoordeling voor de Wet WIA te verrichten.

Voetnoten

1.Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224).
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717.
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1567.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:94.
5.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216. Dat deze lijn nog steeds wordt gevolgd blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:95.
6.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 oktober 2025, ECLI:CRVB:1583.