ECLI:NL:RBZWB:2026:12

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
23/9075
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm)

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 juli 2023 beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 3.808 aan Bpm opgelegd, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft op 25 november 2025 de zaak behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door twee inspecteurs. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond.

Belanghebbende had op 30 mei 2022 aangifte gedaan voor de registratie van een BMW X6-M en een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.259. De inspecteur heeft echter een hertaxatie laten uitvoeren, waaruit bleek dat de verschuldigde Bpm € 11.067 bedraagt. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft gehandhaafd.

Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met zestien maanden is overschreden en kent belanghebbende een schadevergoeding van € 1.500 toe, waarvan € 375 voor rekening van de inspecteur en € 1.125 voor rekening van de Staat. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, maar kent wel een schadevergoeding toe voor de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende
tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.808 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het
juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 30 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de
registratie van een BMW X6-M met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.259.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 11.067 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden
toegepast. Verder is in geschil de hoogte van de waardevermindering wegens schade.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Waardevermindering wegens schade
4.2.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.101 en deze voor 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij nog een bedrag van € 3.856 in mindering gebracht wegens een schadeverleden. De hertaxateur van DRZ heeft € 335 aan schade geconstateerd en daarvan 72% als waardevermindering in aanmerking genomen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Voor het overige is sprake van normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds vijf jaar oud was en 83.469 kilometer heeft gereden. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur overigens met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Immateriële schadevergoeding
4.4.
Belanghebbende heeft op 15 augustus 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond zestien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.6.
Omdat de bezwaarfase afgerond tien maanden heeft geduurd en daarmee vier maanden te lang, komt € 375 (4/16e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.125) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële
schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] , maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 375;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.125;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.