ECLI:NL:RBZWB:2026:1146

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
24/3406
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 30a Wet waardering onroerende zakenArtikel 27h derde lid Algemene wet inzake rijksbelastingenArtikel 28 zevende lid Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens schending hoorrecht en toekenning schadevergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde van haar woning door de heffingsambtenaar. Tijdens de bezwaarprocedure is vastgesteld dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord, wat een schending van het hoorrecht betekent. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar.

De zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor een nieuwe inhoudelijke behandeling waarbij belanghebbende deugdelijk wordt gehoord. Daarnaast is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase overschreden met ongeveer acht maanden, waarvoor belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €100 wordt toegekend.

De vergoeding wordt verdeeld waarbij €25 voor rekening komt van de heffingsambtenaar en €75 voor rekening van de Staat der Nederlanden. Tevens wordt belanghebbende een proceskostenvergoeding van €782,75 toegekend en het griffierecht van €51 vergoed. De rechtbank wijst een verzoek af om betaling van proceskosten rechtstreeks aan de gemachtigde te laten plaatsvinden, omdat dit buiten haar bevoegdheid valt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak terugverwezen met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts, aangesloten bij Kosteloosbezwaar.nl),
en

de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar,

(gemachtigde: mr. B. de Smit),
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 februari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 mei 2023 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) vastgesteld.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Belanghebbende en haar gemachtigde hebben zich bij brief van 11 december 2025 afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van schending van het hoorrecht?
2. Tussen partijen is niet meer in geschil dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de schending van de hoorplicht. Dit betekent dat het beroep gegrond is.
2.1.
Partijen hebben voor dat geval verzocht om terugwijzing naar de heffingsambtenaar. De rechtbank wijst dat verzoek toe, omdat er nog verschil van opvatting bestaat over de feiten. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en de zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar dient belanghebbende, alvorens opnieuw uitspraak op het bezwaar te doen, deugdelijk in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
2.2.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 3 juli 2023, de rechtbank doet uitspraak op 23 februari 2026, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond acht maanden.
2.4.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 100.
2.5.
De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 8 februari 2024. De bezwaarfase heeft afgerond acht maanden geduurd en daarmee twee maanden te lang. Dit brengt mee dat € 25 voor rekening van de heffingsambtenaar komt en de rest (€ 75) voor rekening van de Staat der Nederlanden. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond wegens schending van het hoorrecht. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Daarbij wijst de rechtbank het bezwaar terug naar de heffingsambtenaar voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Ook wordt het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase worden de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op basis van 1 punt (bezwaarschrift), met een waarde van € 666 per punt. Omdat de waardebeschikking dateert van voor 1 januari 2024, hanteert de rechtbank voor de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase een wegingsfactor van 1. Ook heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor van 0,5. De uitspraak op bezwaar is van na 1 januari 2024 en daarom wordt de forfaitaire proceskostenvergoeding voor de beroepsfase met een factor van 0,25 vermenigvuldigd. [1] De rechtbank ziet, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, geen aanleiding om de factor 0,25 achterwege te laten. [2] Daarnaast kent de rechtbank geen punt toe voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek gaat als nevenvordering op in de proceshandeling ‘indienen beroepschrift’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 782,75.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden, omdat de nieuwe wetgeving zoals opgenomen in artikel 30a van de Wet waardering onroerende zaken volgens belanghebbende in strijd is met het recht. De belastingrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan
proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. [3]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 25;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 75;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 782,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 23 februari 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
2.Hoge Raad, 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
3.Vergelijk Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, r.o. 2.2.2. en Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
4.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.