Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 23 februari 2026 van de meervoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] B.V. uit [plaats 1] , eiseres,
Samenvatting
Feiten en omstandigheden
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Standpunt UWV9.Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen inhoudelijke beroepsgronden zijn aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het primaire besluit van 2 april 2024 tot toekenning van een WIA-uitkering onjuist zou zijn. Er is dan ook geen sprake van een onrechtmatig besluit. Het UWV heeft opgemerkt geen verband te zien tussen de toekenning van de WW-uitkering en het besluit van 2 april 2024. Het staat ook niet vast dat, als in 2021 geen WW-uitkering zou zijn toegekend en er een WIA-aanvraag zou zijn geweest, deze uitkering zou zijn toegekend. Ook staat niet vast dat in dat geval de ex-werknemer niet in dienst zou zijn getreden bij eiseres. Het hebben van een WIA-uitkering staat immers niet in de weg aan het aangaan van een dienstverband.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor zover gerelateerd aan het WIA-besluit van 2 april 2024 af;
- verklaart het verzoek om schadevergoeding voor zover gerelateerd aan het WW-besluit van 7 juli 2021 niet-ontvankelijk.
Informatie over hoger beroep
Bijlage wettelijk kader
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het UWV bevoegd het recht op een uitkering op grond van deze wet ambtshalve vast te stellen.