ECLI:NL:HR:2003:AF0178
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- A.G. Pos
- P.C. Kop
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat dwangbevel pas na bezwaarperiode in werking treedt bij ontgrondingenvergunning
De zaak betreft een geschil tussen de Provincie Limburg en de Combinatie "Herten" V.O.F. over een dwangbevel dat verband houdt met overtreding van een ontgrondingenvergunning. De Combinatie had meer zand en grind afgegraven dan toegestaan en kreeg een herstelbevel met een dwangsom opgelegd. Na een reeks besluiten en overleg over de hersteltermijn, stelde de Provincie dat de herstelwerkzaamheden te laat waren voltooid en eiste betaling van dwangsommen.
De Rechtbank verwierp het primaire verweer van de Combinatie, maar het Hof vernietigde het vonnis en verklaarde het verzet tegen het dwangbevel gegrond. Het Hof oordeelde dat de brief van 24 januari 1997 van de Provincie een zelfstandig besluit was dat pas na afloop van de zes weken bezwaarperiode in werking trad, waardoor de hersteltermijn pas op 9 maart 1997 begon te lopen.
De Provincie stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het beroep. De Hoge Raad benadrukte dat het besluit van 24 januari 1997 een zelfstandig besluit is met een extern rechtsgevolg en dat de termijn voor het indienen van bezwaar bepalend is voor het moment van inwerkingtreding. Hierdoor was de Combinatie niet in gebreke en geen dwangsommen verschuldigd.
De Hoge Raad veroordeelde de Provincie in de kosten van het geding en wees het beroep af, waarmee het arrest van het Hof bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep van de Provincie en bevestigde dat de Combinatie geen dwangsommen verschuldigd was omdat het dwangbevel pas na de bezwaarperiode in werking trad.