ECLI:NL:RBZWB:2025:9235

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
23/10447
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst, die op 12 oktober 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) heeft opgelegd van € 6.642. De rechtbank heeft de zaak op 30 september 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en twee inspecteurs aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag. De historische nieuwprijs van de auto wordt vastgesteld op € 113.078, en de verschuldigde BPM op € 12.230. Belanghebbende heeft al € 5.930 voldaan, waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 6.300. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 1.833,33 voor rekening van de inspecteur en € 666,67 voor rekening van de Staat. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, en veroordeelt de inspecteur tot het betalen van de proceskosten van € 3.108.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10447

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.642. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 310 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, de hoogte van de historische nieuwprijs en of sprake is van een waardevermindering wegens schade.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, maar wel tot een te hoog bedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 14 november 2018 aangifte gedaan voor de registratie van een Audi SQ5, VIN eindigend op [nummer] , (de auto) en een bedrag van € 5.930 aan Bpm voldaan.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van 12 november 2018 gevoegd. Daarin is een historische nieuwprijs vermeld van € 105.036, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 36.000 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 23.500.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 22 november 2018. Daarin is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 110.007 en de handelsinkoopwaarde op € 52.165. De hertaxateur heeft geen schade geconstateerd die tot een waardevermindering van de auto zou moeten leiden.
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 12.572.

Overwegingen

Vertrouwensbeginsel
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de schouw bij DRZ op 20 november 2018 en de kennisgeving van de naheffingsaanslag van 24 maart 2021, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet zou worden teruggekomen.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak [2] van rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Historische nieuwprijs
4.6.
Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [3] bepaalt de Wet Bpm dat het afschrijvingspercentage moet worden bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de som van de catalogusprijs van het te registreren voertuig en het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen.
4.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat de afschrijving moet worden berekend aan de hand van de historische nieuwprijs van € 113.078 gebaseerd op de netto catalogusprijs (€ 71.542) zoals vastgesteld door DRZ, vermeerderd met 21% btw (€ 15.023) en vermeerderd met de historische bruto Bpm op de datum eerste toelating 1 juli 2016 bij een CO2-uitstoot van 202 gr/km (€ 26.513). De inspecteur stelt dat belanghebbende de netto catalogusprijs niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat deze is gebaseerd op een referentieauto met een CO2-uitstoot van 189 gr/km.
4.8.
De rechtbank volgt de stelling van de inspecteur niet. In artikel 9, vijfde lid, van de Wet Bpm staat dat als een Nederlandse catalogusprijs niet bekend is, de catalogusprijs door vergelijking wordt bepaald. Nu DRZ dezelfde netto catalogusprijs heeft gehanteerd, gaat de rechtbank ervan uit dat deze is gebaseerd op de meest vergelijkbare auto. De inspecteur heeft ook geen catalogusprijs van een andere, meer vergelijkbare, auto aangedragen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om bij het bepalen van de catalogusprijs niet uit te gaan van de netto catalogusprijs van € 71.542. De rechtbank acht ook de door belanghebbende vastgestelde bedragen aan btw en historische bruto BPM juist. De historische nieuwprijs wordt daarom vastgesteld op € 113.078. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende.
Schade
4.9.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat geen rekening is gehouden met de schade.
4.10.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende moet de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade.
4.11.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade moet worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van de auto en die passen bij de leeftijd en kilometrage van de auto. [4] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank weegt daarbij mee dat de auto uit 2016 is en 45.954 kilometer heeft gereden. De stelling van belanghebbende dat de auto tot het topsegment behoort waardoor sneller sprake is van meer dan normale gebruiksschade is onvoldoende onderbouwd.
4.13.
Verder heeft belanghebbende de stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt, noch dat dergelijk beleid zou nopen tot het toepassen van een waardevermindering. Dit betekent dat belanghebbende de door haar bepleite vermindering niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.
Handelsinkoopwaarde volgens koerslijst
4.14.
Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de koerslijstmethode moet worden toegepast. Belanghebbende sluit hierbij aan bij de handelsinkoopwaarde van € 52.165 zoals vastgesteld door DRZ, gebaseerd op de koerslijst X-Ray. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.15.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 113.078, zijnde de catalogusprijs van € 71.542 te vermeerderen met 21% btw (€ 7.950) en de historische Bpm (€ 26.513). De handelsinkoopwaarde is € 52.165. De verschuldigde Bpm bedraagt dan € 12.230. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 5.930 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 6.300. De rechtbank vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig.
Immateriëleschadevergoeding
4.16.
Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 1 juli 2021 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twee jaar en zes maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500. Omdat de bezwaarfase afgerond twee jaar en vier maanden heeft geduurd komt € 1.833,33 voor rekening van de inspecteur en € 666,67 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. [5] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 3.108.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.300 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.833,33;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 666,67;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 23 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm.
5.Vgl. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
6.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.