ECLI:NL:RBZWB:2025:9230

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
24/7353
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid met betrekking tot documenten van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een tussenuitspraak gedaan in een zaak waarin eiser een verzoek om openbaarmaking heeft ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser was het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Staatssecretaris niet op goede gronden heeft besloten om bepaalde documenten niet of slechts gedeeltelijk openbaar te maken. De rechtbank heeft de Staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat de Staatssecretaris per documentonderdeel moet motiveren waarom openbaarmaking moet worden geweigerd, met inachtneming van de belangen van het goed functioneren van de Staat. De uitspraak bevat ook een uitgebreide beoordeling van de procesgang, de ingediende beroepsgronden van eiser en de relevante wetgeving, waaronder de Woo en eerdere rechtspraak van de ABRvS. De rechtbank heeft de verdere beslissing aangehouden tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7353
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen),
en
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. L. Bouwman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Autoriteit Persoonsgegevensuit Den Haag (AP)
(gemachtigde: mr. O.S. Nijveld).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), thans Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris op goede gronden heeft besloten om bepaalde documenten niet of slechts gedeeltelijk openbaar te maken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris niet op goede gronden heeft besloten om bepaalde documenten niet of slechts gedeeltelijk openbaar te maken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft een verzoek om openbaarmaking ingediend op grond van de Wob. De staatssecretaris heeft dit verzoek met het besluit van 7 mei 2021 gedeeltelijk toe-/afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij die gedeeltelijke toe-/afwijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De AP heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De staatssecretaris heeft de stukken ingezonden en daarbij verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 18 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de genoemde stukken gerechtvaardigd is. Toestemming om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen, is van rechtswege verleend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris, vergezeld door [naam 1] . De AP is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Bij brief van 27 november 2020 heeft eiser een verzoek op grond van de Wob ingediend bij de staatssecretaris. Eiser heeft verzocht om alle bestuurlijke documenten die betrekking hebben op eiser, zijn partner [naam 2] en het bedrijf Digi-D.
3.1.
Per emailbericht van 23 februari 2021 heeft eiser 71 aanknopingspunten voor documenten met de staatssecretaris gedeeld.
3.2.
Bij besluit van 7 mei 2021 (primair besluit) heeft de staatssecretaris op het Wob-verzoek van eiser besloten en heeft hij een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.
3.3.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.4.
Op 11 november 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft eiser – op verzoek van de staatssecretaris – op 26 november 2021 een prioritering aangebracht in de 71 aanknopingspunten die hij eerder met de staatssecretaris heeft gedeeld.
3.5.
Bij besluit van 29 april 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard en opnieuw een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
3.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
3.7.
In een uitspraak van 10 april 2024 [1] heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, omdat de staatssecretaris niet volledig op het Wob-verzoek van eiser heeft beslist én ook de door hem gehanteerde zoekslag onvoldoende zorgvuldig is geweest en inzichtelijk is gemaakt. De rechtbank heeft het besluit van 29 april 2022 vernietigd en heeft de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.
3.8.
Op 17 september 2024 heeft de staatssecretaris een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit) waarin de staatssecretaris de bezwaren van eiser tegen het besluit van
29 april 2022 gedeeltelijk gegrond verklaart, onder aanvulling van de motivering. De staatssecretaris heeft een aanvullende zoekslag gedaan waarbij nieuwe documenten zijn aangetroffen (inventarislijst C).
3.9.
Eiser heeft hiertegen opnieuw beroep ingesteld.
Wet openbaarheid van bestuur (Wob) of Wet open overheid (Woo)?
4. Op 1 mei 2022 is de Woo (Staatsblad 2021,499), zoals gewijzigd bij Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 ook besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus.
4.1.
Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op
17 september 2024, dus na 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Woo van toepassing is.
4.2.
De rechtbank overweegt dat de door de staatssecretaris aan eiser verstrekte documenten grotendeels onder de regels van de Wob zijn gelakt en dat ook de codering in de inventarislijst is gebaseerd op de Wob. Daarom heeft de staatssecretaris onderstaande transponeringstabel opgenomen in het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende duidelijk is op welke weigeringsgronden uit de Woo de staatssecretaris zich beroept.
Uitzonderingsgrond Wob
Uitzonderingsgrond Woo
Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (10.2.e)
Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (5.1.2.e)
Het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling (10.2.g)
Het goed functioneren van de Staat (5.1.2.i)
Beroepsgronden
5. Eiser stelt dat de door de staatssecretaris verrichte zoekslag (wederom) onvolledig en onzorgvuldig is geweest en dat de staatssecretaris onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de onderzoeksvragen zijn opgepakt en verwerkt in de zoekslag. De door de staatssecretaris gehanteerde zoektermen dekken de lading volgens eiser niet. Er had ook op meer specifieke zoektermen gezocht moeten worden. Eiser noemt een aantal zoektermen waar de staatssecretaris volgens hem ten onrechte niet op heeft gezocht.
5.1.
Eiser heeft het vermoeden dat nog steeds niet alle door hem gevraagde documenten door de staatssecretaris zijn gevonden. Eiser stelt dat het aannemelijk is dat er nog meer documenten aanwezig zijn en noemt een aantal specifieke voorbeelden, waaronder een aantal documenten van de Landsadvocaat. De enkele mededeling dat sommige documenten van de Landsadvocaat verloren zijn gegaan, is volgens eiser onvoldoende. Niet duidelijk is hoe er is gezocht naar deze documenten. Deze documenten kunnen volgens eiser ook worden opgevraagd bij de Landsadvocaat.
Daarbij stelt eiser dat onduidelijk is of is voldaan aan de doorzendplicht op het moment dat duidelijk is dat documenten zich onder een ander ministerie bevinden.
5.2.
Verder merkt eiser op dat bijlage A-25 ontbreekt, dat bijlage B-2.6.2 onleesbaar is, dat bijlage B-8 ontbreekt of niet goed is geclassificeerd en dat bijlagen B-51 en B-52 ten onrechte niet zijn geopenbaard.
6. Eiser stelt daarnaast dat de staatssecretaris ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd een beroep heeft gedaan op de weigeringsgrond van artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. De procespositie van de Staat is volgens eiser niet in het geding en eiser betwist dat sprake kan zijn van precedentwerking.
6.1.
Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte heeft volstaan met het noemen van de algemene weigeringsgrond zonder specifiek per document of per alinea of zinsnede aan te geven waarom het procesbelang onevenredig zou worden benadeeld door openbaarmaking. Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank van 30 mei 2023. [2]
6.2.
Eiser betwist dat informatie die is gewisseld tussen de staatssecretaris en de Landsadvocaat niet gedeeld kan worden wegens een mogelijke toekomstige onderhandelingspositie. Daarbij wijst eiser op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [3] , de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, waaruit blijkt dat een beroep op de onderhandelingspositie in beginsel slechts mogelijk is voor de duur van het onderhandelingsproces. In deze zaak is dat onderhandelingsproces al meer dan 10 jaar geleden tot een einde gekomen, aldus eiser.
Omvang van het geding
7. De rechtbank overweegt dat ter zitting met partijen is vastgesteld dat tussen hen geen geschil meer bestaat over de toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e Woo (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 5.2, eerste lid Woo (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad). De rechtbank zal daar in deze uitspraak dus niet meer op ingaan.
7.1.
Tussen partijen is nog wel in geschil of de zoekslag van de staatssecretaris volledig en zorgvuldig is geweest en of de weigeringsgrond genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i Woo (het goed functioneren van de Staat) op goede gronden is toegepast.
De zoekslag
8. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat bij besluiten over de openbaarmaking van documenten op grond van de Woo het bestuursorgaan voldoende inzichtelijk moet maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. [4]
9. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de zoekslag volledig en zorgvuldig is geweest. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat deze keer aan de hand van de 71 zoekvragen is gezocht door een informatiespecialist die toegang heeft tot alle systemen. Bij de nieuwe zoekslag is volgens de staatssecretaris gezocht in het documentmanagementsysteem (DigiDoc), netwerkschijven, e-mailboxen en chatberichten. De zoekslag heeft plaatsgevonden binnen Logius en kerndepartement BZK en er is gezocht binnen de juridische directie (CZW), de verantwoordelijke beleidsdirectie (DGDOO), communicatie en de mailboxen van twee oud-medewerkers van Logius (destijds dossierhouders). De zoektermen die door de informatiespecialist zijn gehanteerd bij het doorzoeken van de verschillende systemen staan omschreven in het besteden besluit. Bij deze inventarisatie zijn volgens de staatssecretaris 29 nieuwe documenten aangetroffen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris hiermee voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag heeft plaatsgevonden en volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat de zoekslag deze keer volledig en zorgvuldig is geweest. Ten aanzien van de zoektermen die volgens eiser ten onrechte niet zouden zijn meegenomen in de zoekslag overweegt de rechtbank dat ter zitting is gebleken dat deze deels wel in de zoekslag zijn meegenomen. Voor de overige zoektermen geldt dat de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft toegelicht dat deze suggesties zijn ondervangen door de zoektermen die zijn toegepast.
Het standpunt dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft gezocht op de term “Shadowtrackr” heeft eiser ter zitting ingetrokken.
11. Eiser heeft zijn beroep op de doorzendplicht ter zitting ook ingetrokken.
12. Eiser heeft gesteld dat de volgende documenten ook nog onder de staatssecretaris moeten berusten:
  • documenten met betrekking tot een gesprek met mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] (nr. 69 Wob-verzoek);
  • stukken van 30 september 2013 van de advocaat van eiser, met drie financiële onderbouwingen (nr. 50 Wob-verzoek);
  • documenten met betrekking tot de nieuwe hack (nr. 56 Wob-verzoek);
  • documenten met betrekking tot de reactie van eiser op suggesties van Logius (zie B- 4.2);
  • een bijlage van de heer [naam 5] (zie B-12);
  • een melding van een docent van de UVA (zie B-30.1); en
  • documenten met betrekking tot een onderzoek van de Belastingdienst in oktober 2015 inzake advocaatkosten en met betrekking tot telefonisch en mailcontact met de heer [naam 6] van de Belastingdienst in oktober 2015.
13. De staatssecretaris heeft betwist dat er nog meer documenten aanwezig zijn. Alle aangetroffen documenten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn volgens de staatssecretaris in de inventarislijsten A, B en C opgenomen.
14. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Voor zover openbaarmaking wordt verzocht van documenten die niet bij het bestuursorgaan berusten maar wel bij het bestuursorgaan hadden behoren te berusten, mag van dit bestuursorgaan worden verwacht dat het al het redelijkerwijs mogelijke doet om deze documenten alsnog te achterhalen. [5]
Documenten met betrekking tot gesprek met [naam 3] en [naam 4]
15. Eiser stelt dat hij samen met mevrouw [naam 7] communicatie een gesprek heeft gehad met mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] . Tijdens dit gesprek zijn onder andere een tijdlijn en verwarringsvoorbeelden besproken. [naam 4] zou dit bespreken met minister [naam 8] en [naam 3] met de heer [naam 9] . Volgens eiser moeten er schriftelijke documenten aanwezig zijn van deze voorbereiding en de daadwerkelijke gesprekken. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende stukken openbaar zijn gemaakt en verwijst naar B-90 en C-30. Een deel van deze stukken was reeds openbaar. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat waarschijnlijk geen verslagen zijn opgemaakt van de gesprekken en dat eventuele verslagen hiervan in ieder geval niet bij BZK zijn gearchiveerd. Gelet op dit standpunt is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze documenten wel onder de staatssecretaris berusten.
Stukken 30 september 2013 van de advocaat van eiser, met drie financiële onderbouwingen
16. Eiser stelt de stukken van 30 september 2013, afkomstig van de advocaat van eiser, waarin drie financiële onderbouwingen door drie verschillende adviesbureaus aan de staatssecretaris zijn overhandigd, ten onrechte niet zijn overgelegd. De rechtbank stelt vast dat de brief van 30 september 2013 wel is aangetroffen en op de inventarislijst is opgenomen (B-93). Deze brief is alleen niet openbaar gemaakt met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. De staatssecretaris stelt dat de drie financiële onderbouwingen die bij de brief zaten niet zijn aangetroffen en dat hierover contact is opgenomen met de Landsadvocaat. De Landsadvocaat houdt volgens de staatssecretaris echter geen digitaal archief bij, zodat de drie financiële onderbouwingen ook door de Landsadvocaat niet konden worden achterhaald. De rechtbank kan dit niet zonder meer volgen. De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat hij al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de betreffende financiële onderbouwingen, die wel onder de staatssecretaris behoren te berusten, te achterhalen. De rechtbank is van oordeel dat de zoekslag op dit onderdeel onvoldoende zorgvuldig en/of inzichtelijk is en dat dus sprake is van een gebrek in het bestreden besluit.
Documenten met betrekking tot de nieuwe hack
17. Eiser heeft gesteld dat hij een signaal heeft geuit bij de staatssecretaris met betrekking tot een nieuwe hack en dat hij het niet aannemelijk vindt dat die mail geen opvolging heeft gehad. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat de mail van eiser is gearchiveerd en dat deze niet is opgevolgd. Onderzoek heeft volgens de staatssecretaris pas plaatsgevonden toen de minister een handhavingsverzoek heeft gedaan. De rechtbank acht dat niet ongeloofwaardig en is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er nog documenten met betrekking tot de nieuwe hack onder de staatssecretaris berusten.
Documenten met betrekking tot de reactie van eiser op suggesties van Logius
18. Eiser verwijst naar een passage uit een memo van Logius, waarin wordt geschreven dat de ombudsman zijn teleurstelling heeft uitgesproken dat eiser niet op de suggesties van Logius is ingegaan (B-4.2). Eiser stelt dat die veronderstelling onjuist is en dat weldegelijk inhoudelijk is ingegaan op alle suggesties van Logius. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris de documenten met deze reacties van (de gemachtigde van) eiser wel heeft aangetroffen en op de inventarislijst heeft opgenomen, maar dat deze niet openbaar zijn gemaakt met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. Dat de zoekslag op dit punt onvolledig of onzorgvuldig is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank dus niet gebleken.
Bijlage van de heer [naam 5]
19. Eiser stelt dat in een e-mail van 30 april 2013 wordt verwezen naar een bijlage van de heer [naam 5] , welke ten onrechte niet is geopenbaard. De staatssecretaris erkent dat uit B-12 blijkt dat er een bijlage van de heer [naam 5] bij deze e-mail heeft gezeten, maar stelt zich op het standpunt dat deze bijlage niet is aangetroffen en dus niet kon worden geopenbaard. Er is sprake van een doorgestuurd bericht, waardoor de bijlage kennelijk niet is meegezonden. Kennelijk is de oorspronkelijke e-mail niet gearchiveerden daarmee deze bijlage ook niet, aldus de staatssecretaris. De rechtbank acht dat niet ongeloofwaardig en is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze bijlage wel onder de staatssecretaris berust.
De melding van een docent van de UVA
20. Eiser stelt dat de melding van een docent van de UVA die genoemd wordt in de e-mail van 9 juni 2014 (B-30.1) ontbreekt. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende melding niet aan hem is doorgestuurd en dus niet is aangetroffen. De rechtbank acht dat niet ongeloofwaardig en is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de melding wel onder de staatssecretaris berust.
Documenten met betrekking tot de Belastingdienst
21. De stelling dat documenten ontbreken met betrekking tot onderzoek van of contact met de Belastingdienst heeft eiser ter zitting ingetrokken.
Documenten A-25, B-2.6.2, B-8, B-51 en B-52
22. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris de ontbrekende documenten A-25, B-8, B-51 en B-52 voorafgaand aan de zitting alsnog heeft overgelegd. Ten aanzien van document B-2.6.2 is ter zitting afgesproken dat dit stuk digitaal aan de gemachtigde van eiser zal worden toegezonden, omdat de verstrekte papieren versie slecht leesbaar is. De rechtbank gaat er dus vanuit dat deze documenten geen verdere bespreking meer behoeven.
Het goed functioneren van de Staat (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i Woo)
23. Openbaarmaking van informatie blijft op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i Woo achterwege wanneer het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS wordt ook het belang dat een overheidsorgaan geen vertrouwelijke informatie over zijn procespositie prijsgeeft door deze bepaling beschermd. Dat geldt ook voor informatie die niet relevant is voor een lopende procedure, maar wel voor toekomstige procedures. [6]
24. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat als documenten die zien op onderling contact tussen Logius/BZK en haar advocaat, briefwisselingen met de advocaat van Digi-D, procesadviezen van de Landsadvocaat en ambtelijke mailwisselingen over het traject voor eenieder openbaar worden gemaakt, dit zowel de procespositie van de Staat als de procespositie van de betrokken derde onevenredig zou benadelen. Uit deze stukken kunnen de strategie en overwegingen met betrekking tot deze procedures worden afgeleid. Daarbij merkt de staatssecretaris op dat de Staat weldegelijk meermaals te doen heeft met dergelijke merkenrechtkwesties, zodat sprake kan zijn van precedentwerking. Volgens de staatssecretaris geldt dit ook voor de brieven van de advocaat van eiser, omdat hierin ook wordt ingegaan op hetgeen door de Landsadvocaat, namens BZK wordt aangevoerd. De staatssecretaris maakt voormelde documenten met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo niet openbaar, omdat volgens hem het belang van de bescherming van de procespositie van de Staat – ondanks het tijdsverloop – zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.
25. De rechtbank kan dit standpunt van de staatssecretaris in beginsel volgen. Aan de hand van de niet gelakte versies van voormelde documenten heeft de rechtbank vastgesteld dat uit gedeelten van deze documenten de strategie en overwegingen van de staatssecretaris in dergelijke merkenrechtelijke procedures zouden kunnen worden afgeleid. Derden zouden hun handelswijze hierop in lopende of toekomstige procedures kunnen afstemmen. Uit recente rechtspraak van de ABRvS [7] volgt echter dat de toepasselijkheid van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i Woo per zelfstandig documentonderdeel moet worden beoordeeld. Uit de tekst van dit artikel of de geschiedenis van de totstandkoming ervan kan niet worden opgemaakt dat deze bepaling is bedoeld als categoriale weigeringsgrond voor adviezen van advocaten (of documenten waarin die adviezen zijn overgenomen), ongeacht de inhoud ervan.
26. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris een deel van de documenten waarvoor hij zich beroept op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo in het geheel niet openbaar heeft gemaakt en een deel van deze documenten gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. De rechtbank zal deze twee categorieën hierna afzonderlijk bespreken.
De in het geheel niet openbaar gemaakte documenten
27. De staatssecretaris heeft ter zitting aangevoerd dat hij de in het geheel niet openbaar gemaakte documenten wel per zelfstandig documentonderdeel heeft beoordeeld, maar dat de informatie erg met elkaar verweven is. Daarbij wijst de staatssecretaris erop dat een deel van de in deze documenten opgenomen informatie al openbaar is, omdat deze informatie ook is opgenomen in documenten die wel openbaar zijn gemaakt. De informatie die overblijft heeft volgens de staatssecretaris geen relevante, zelfstandige betekenis. Daarom heeft de staatssecretaris ervoor gekozen om deze documenten in het geheel niet openbaar te maken.
28. Aan de hand van de niet gelakte versies van de documenten heeft de rechtbank vastgesteld dat de meeste in het geheel niet openbaar gemaakte documenten niet geheel uit vertrouwelijke informatie over de procespositie van de Staat bestaan. Deze documenten bevatten bijvoorbeeld ook feitelijkheden, informatie over het procesverloop en standpunten van eiser. Dergelijke informatie alleen geeft naar het oordeel van de rechtbank geen inzicht in de procespositie van de Staat. Openbaarmaking daarvan kan dus niet om die reden met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo worden geweigerd. Dat een deel van de informatie ook is opgenomen in documenten die wel openbaar zijn gemaakt, zoals de staatssecretaris ter zitting heeft gesteld, doet daar niet aan af. Als voorbeeld noemt de rechtbank document B-2.4. Onduidelijk is bijvoorbeeld hoe de informatie die in dat document is opgenomen onder het kopje “Inleiding” de procespositie van de Staat zou kunnen schaden. Dat geldt voor meerdere onderdelen van B-2.4.
29. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel gebreken bevat. De staatssecretaris dient de toepasselijkheid van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i Woo op deze documenten daarom opnieuw per zelfstandig documentonderdeel (per alinea of paragraaf) te beoordelen. Indien de staatssecretaris (op onderdelen) bij zijn standpunt blijft dat openbaarmaking moet worden geweigerd dan zal hij met inachtneming van wat hiervoor is overwogen per documentonderdeel moeten motiveren waarom het procesbelang van de Staat in lopende of eventuele toekomstige procedures onevenredig wordt benadeeld als hij inzicht moet geven in deze documentonderdelen. Daarbij dient hij tevens in te gaan op de vraag waarom deze weigeringsgrond ondanks het tijdsverloop nog steeds relevant is. De rechtbank geeft de staatssecretaris in overweging om bij zijn herbeoordeling goed te kijken naar de informatie die in de reeds openbaar gemaakte documenten is opgenomen, zoals bijvoorbeeld in document B-88.
30. Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris de volgende in het geheel niet openbaar gemaakte documenten opnieuw zal moeten beoordelen: B-2.4 en B-19.1, B-2.6.6, B-4.4, B-6.1, B-7.1 en B-34.1, B-18, B-21.2, B-37.1, B-52.2, B-63.1, B-75, B-76, B-77, B-78, B-79, B-87, B-93, C-2, C-3 en C-8.
31. Ten aanzien van document B-52.2 merkt de rechtbank op dat dit een conceptversie is van de reeds openbaar gemaakte eindversie in document A-23. Nu de staatssecretaris in het bestreden besluit heeft toegezegd alle conceptdocumenten alsnog openbaar te maken (met uitzondering van de persoonsgegevens en de informatie die raakt aan de procespositie van de Staat) was het kennelijk de bedoeling dat document B-52.2 openbaar zou worden.
32. Ten aanzien van de in het geheel niet openbaar gemaakte documenten B-67.1 en C-4 heeft de rechtbank aan de hand van de niet gelakte versies van deze documenten vastgesteld dat de staatssecretaris op goede gronden een beroep heeft gedaan op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. Deze documenten hoeven niet opnieuw beoordeeld te worden.
De gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten
33. Aan de hand van de niet gelakte versies van de documenten heeft de rechtbank vastgesteld dat ook in een deel van de gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten informatie is weggelakt ten aanzien waarvan – zonder nadere toelichting – niet valt in te zien dat deze informatie de procespositie van de Staat zou kunnen schaden. Ook daarvoor geldt dat openbaarmaking niet met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo kan worden geweigerd, dan wel dat de staatssecretaris nader moeten motiveren waarom het procesbelang van de Staat in lopende of eventuele toekomstige procedures, ondanks het tijdsverloop, onevenredig wordt benadeeld als hij inzicht moet geven in deze documentonderdelen. Ook op dit onderdeel bevat het bestreden besluit dus gebreken.
34. De staatssecretaris dient met inachtneming van wat hiervoor is overwogen de volgende gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten opnieuw te beoordelen: B-6, B-7 en B-34, B-36, B-53, B-68, B-86 en B-95.
35. Ten aanzien van de gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten B-4.5, B-8, B-56, B61.1, B-63 en C-1 heeft de rechtbank aan de hand van de niet gelakte versies van deze documenten vastgesteld dat de staatssecretaris op goede gronden een beroep heeft gedaan op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. Deze documenten hoeven niet opnieuw beoordeeld te worden.
36. De rechtbank merkt op dat ten aanzien van de documenten B-62, B-88 en B-94 op de inventarislijst staat dat artikel 10, tweede lid, onder g van de Wob (thans artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo) is toegepast, maar dat uit de documenten zelf blijkt dat alleen artikel 10, tweede lid onder e van de Wob (thans artikel 5.1, tweede lid, aanheft en onder e van de Woo) is toegepast. Nu over de toepassing van dat artikel tussen partijen geen geschil (meer) bestaat, behoeven deze documenten geen verdere bespreking meer.
Bestuurlijke lus
37. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal de staatssecretaris in de gelegenheid stellen om de toepasselijkheid van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo op de hiervoor onder rechtsoverweging 30 en 34 genoemde documenten opnieuw te beoordelen. Als (onderdelen van) deze opnieuw te beoordelen documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden, moet de staatssecretaris (eventueel met toepassing van artikel 8:29 Awb) per documentonderdeel motiveren waarom het procesbelang van de Staat in lopende of eventuele toekomstige procedures, ondanks het tijdsverloop, onevenredig wordt benadeeld als hij inzicht moet geven in deze documentonderdelen.
38. Tevens dient de staatssecretaris de drie financiële onderbouwingen die bij de brief van 30 september 2013 zaten alsnog openbaar te maken (eventueel met gebruikmaking van de toepasselijke weigeringsgronden), dan wel nader te onderbouwen dat hij al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de betreffende financiële onderbouwingen te achterhalen.
39. De rechtbank zal de termijn waarbinnen de staatssecretaris de gebreken kan herstellen bepalen op acht weken, na de dag van verzending van deze uitspraak. Als de staatssecretaris hiervan geen gebruik wil maken, dient hij dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als de staatssecretaris wel gebruik maakt van de gelegenheid zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de staatssecretaris.
40. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • stelt de staatssecretaris in de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de overwegingen 28 tot en met 30, 33 en 34 en 38 van deze tussenuitspraak is overwogen;
  • draagt de staatssecretaris op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 23 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
rechter
De griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet open overheid(Woo)

Artikel 4.1. Verzoek

1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
(…)

Artikel 5.1. Uitzonderingen

(…)
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
(…)
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
(…)
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
(…)

Artikel 5.2. Persoonlijke beleidsopvattingen

1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
(…)

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2373.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3782.
3.ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:616 (r.o. 6.1).
4.ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675 (r.o. 13.1).
5.ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3410 (r.o. 5.1).
6.ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870 (r.o. 4.2) en ABRvS 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:843 (r.o. 5.1).
7.ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870 (r.o. 4.3).