10.1.De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig. Het gaat namelijk om een woningsluiting die een verregaande impact heeft op verzoekster.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
11. Op grond van artikel 13b eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet
is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie op 26 augustus 2025 (onder meer) handelshoeveelheden amfetamine, MDMA, ketamine en cocaïne in de woning heeft aangetroffen. Verder zijn grote hoeveelheden medicijnen aangetroffen die werkzame stoffen bevatten die vermeld staan op lijst II behorende bij de Opiumwet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester gelet hierop bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Mocht de burgemeester gebruikmaken van zijn bevoegdheid?
12. De burgemeester is niet verplicht om de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. De burgemeester dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe het Damoclesbeleid district De Markiezaten/Moerdijk 2020 vastgesteld (de beleidsregels).
13. In de beleidsregels wordt voor woningen in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden bij een eerste overtreding en een handelshoeveelheid harddrugs. Op grond van de beleidsregels kan sprake zijn van verzwarende omstandigheden, waardoor een langere sluitingstermijn kan worden gehanteerd. De burgemeester stelt dat in dit geval sprake is van verzwarende omstandigheden in de zin van de beleidsregels.
De burgemeester acht de volgende verzwarende omstandigheden aanwezig:
- een significante overschrijding van de gebruikershoeveelheid verdovende middelen;
- de aannemelijkheid dat er meerdere panden betrokken zijn bij de handel in drugs;
- een vermoeden van (internationale) drugshandel in georganiseerd verband;
- de aanwezigheid van grote handelshoeveelheden niet voorgeschreven medicijnen.
Die omstandigheden maken dat de burgemeester zich op grond van de beleidsregels bevoegd acht om de woning te sluiten voor een periode van vier maanden.
14. Dat de sluiting in overeenstemming is met de beleidsregels betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester in redelijkheid tot sluiting heeft kunnen overgaan. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS moet de burgemeester alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling en bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb.
15. Daarbij moet onder andere worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit.
Is sluiting een geschikt middel?
16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning in het algemeen een geschikt middel is om de doelen te bereiken die de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het beëindigen van de overtreding en de aantasting van het woon- en leefklimaat, het herstellen van het veiligheidsgevoel in de omgeving van de woning, het doorbreken van de bekendheid van de woning als drugspand en het onttrekken van de woning aan de keten van drugshandel. Met een sluiting wordt ook een signaal afgegeven aan buurtbewoners en criminelen dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester deze doelen in beginsel ook na een tijdsverloop van vier maanden nog zou kunnen bereiken.
17. Dit laat onverlet dat de woningsluiting een zeer ingrijpende maatregel is en dat niet tot sluiting mag worden overgegaan als dat gelet op de omstandigheden niet noodzakelijk en evenwichtig is. In dat geval zou de burgemeester in redelijkheid moeten afwijken van zijn beleid en met een minder ingrijpende maatregel, zoals een last onder dwangsom of een waarschuwing, moeten volstaan.
Is de sluiting noodzakelijk?
18. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
19. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken.
20. De voorzieningenrechter overweegt dat op 26 augustus 2025 grote hoeveelheden harddrugs in de woning zijn aangetroffen en dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de woning in verband wordt gebracht met een drugsketen die verdovende middelen en medicijnen verpakt en verstuurt met postpakketten. Tussen partijen is niet in geschil dat het [naam] was die de (postpakketten met) harddrugs, zonder medeweten van verzoekster, in huis heeft gehaald, zodat de overtreding aan hem kan worden toegeschreven. Vast staat dat [naam] per 6 november 2025 in de basisregistratie personen is uitgeschreven van het adres, dat hij zijn huurovereenkomst heeft opgezegd en is vertrokken uit de woning en dat hij ook niet meer welkom is in de woning. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of in die huidige situatie sluiting van de woning nog noodzakelijk is (toetsing ex nunc) en de burgemeester dient dat in zijn beslissing op het bezwaar van verzoekster ook te doen.
21. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de noodzaak om de woning te sluiten in de huidige situatie, waarin [naam] definitief uit de woning is vertrokken, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat geen sprake is van een klassiek drugspand, waarin drugs veelal feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de woning fungeerde als een soort opslaglocatie, waar de drugs in pakketten werden bewaard om later per post te versturen. Dat sprake is van bekendheid van de woning als drugspand of van een loop naar de woning die doorbroken moet worden, is niet gebleken. Uit de bestuurlijke rapportage volgt enkel dat de politie heeft waargenomen dat de woning op 23 juli 2025 is bezocht door een medeverdachte, die twee grote dozen en een zak bij [naam] kwam ophalen. Deze dozen zouden een dag later op verschillende postpakketpunten zijn ingeleverd en bleken, na te zijn onderschept, in totaal 40 kilogram MDMA te bevatten. Dat anderen dan deze medeverdachte wetenschap hadden van de opslaglocatie, is niet gebleken. Bovendien lijken deze ‘ophaalmomenten’ zich – gelet op de bevindingen (en de grote hoeveelheid drugs die in voorkomend geval werd opgehaald) – niet frequent te hebben voorgedaan. De burgemeester heeft verklaard dat deze medeverdachte ook is aangehouden. Hij is dus in beeld bij de politie. Er zijn geen aanwijzingen dat de woning sinds de inval op 26 augustus 2025 en de arrestatie van [naam] nog is bezocht door deze medeverdachte of andere aan drugscriminaliteit te relateren personen. Daarbij zijn geen meldingen bij de politie of verklaringen van buurtbewoners over (drugsgerelateerde) overlast bij de woning bekend. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende gebleken dat de openbare orde in de omgeving van de woning door de activiteiten van [naam] is verstoord. Ook is niet gebleken dat de woning is gelegen in een voor (drugs)criminaliteit kwetsbare wijk en is van recidive geen sprake. Wat resteert is het door de burgemeester geschetste risico op criminaliteit als gevolg van de rol die de woning mogelijk heeft vervuld binnen een drugsketen. Hoe groot die rol precies is geweest, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende uit het dossier en de voorzieningenrechter stelt vast dat dit risico zich in de afgelopen vier maanden in ieder geval niet heeft verwezenlijkt. Gelet op deze omstandigheden is de noodzaak om tot sluiting over te gaan ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning en het herstel van de openbare orde naar het oordeel van de voorzieningenrechter beperkt.
Is de sluiting evenwichtig?
22. De burgemeester dient zich ervan te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat bij de beoordeling van de evenwichtigheid verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, of de overtreder door sluiting van de woning op een zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk vindt.
bijzondere binding met de woning
23. Verzoekster heeft gesteld dat zij een bijzondere binding met de woning heeft, nu zij de woning al langere tijd bewoont en de woning voor haar een veilige haven is, waar zij onverwerkte trauma’s uit het verleden kan verwerken.
24. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de door verzoekster genoemde omstandigheden niet blijkt van een bijzondere binding met de woning. De psychische en mentale klachten waar verzoekster mee stelt te kampen, zijn niet met objectieve en verifieerbare (medische) stukken onderbouwd. Dat verzoekster gehecht is aan de woning, is niet voldoende.Niet gebleken is dat zij gebonden is aan juist deze woning gelet op haar psychische en/of mentale problemen of dat haar klachten zouden verergeren als zij (tijdelijk) in een andere woning zou moeten verblijven.
25. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS geldt dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij een overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden met zich brengen kan dat de burgemeester niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij/zij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn/haar woning. Wel wordt van de (hoofd)bewoner verlangd dat hij/zij toezicht uitoefent op wat er in de woning gebeurt. Daarbij past de kanttekening dat er wel grenzen zijn aan het toezicht dat redelijkerwijs mag worden verwacht van de ene bewoner op de andere, mede afhankelijk van de woonsituatie. De burgemeester zal, indien hij van zijn bevoegdheid tot sluiting van een woning gebruik maakt, deugdelijk moeten motiveren welk verwijt de (hoofd)bewoner die door de sluiting wordt getroffen, wordt gemaakt.
26. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs en medicijnen in de woning en dat zij hier op geen enkele wijze bij betrokken was. Haar kan geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. De burgemeester heeft dat ook erkend.
27. Dat verzoekster redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs en medicijnen in haar woning, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd door de burgemeester. Verzoekster heeft verklaard dat zij de woning deelde met [naam] , haar ex-partner, die zij al twintig jaar kent. Vast staat dat hij geen drugsgerelateerde antecedenten heeft. Verzoekster heeft – onweersproken – verklaard dat zij overdag veel weg was in verband met haar werk. ’s Avonds kwam zij alleen kort in de keuken om een (kleine) maaltijd te bereiden en verder verbleef zij altijd boven op haar (slaap)kamer. De benedenverdieping werd hoofzakelijk door [naam] gebruikt. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de drugs zodanig waren verpakt dat het niet zou opvallen als ze per post werden verstuurd. Uit de foto achter de bestuurlijke rapportage volgt dat de zevenendertig in de woning aangetroffen pakketten in één shopper zaten. Dat verzoekster die pakketten niet heeft gezien, acht de voorzieningenrechter gelet op de wijze waarop zij met [naam] samenwoonde niet onaannemelijk. Hoewel sprake is van zeer grote hoeveelheden harddrugs, is dus niet gebleken dat ze op zodanige wijze in de woning aanwezig waren dat verzoekster hierop bedacht had moeten zijn. Daarbij zijn ook geen attributen of andere sporen die te relateren zijn aan drugshandel in de woning aangetroffen. Verzoekster heeft bovendien verklaard dat zij evenmin weet had van de harddrugs (amfetamine) die zijn aangetroffen in de vriezer in de bijkeuken van de woning, omdat zij die vriezer niet gebruikte en nooit in de bijkeuken kwam. Die verklaring acht de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande plausibel. Gelet op al deze omstandigheden heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd dat verzoekster een verwijt kan worden gemaakt. Onduidelijk is wat verzoekster volgens de burgemeester had kunnen en moeten doen om toezicht te houden op het gebruik van de woning door [naam] . De burgemeester lijkt verzoekster feitelijk te verwijten dat zij [naam] heeft vertrouwd. Dat is achteraf gezien inderdaad ten onrechte geweest. Dat verzoekster wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat zij [naam] niet kon vertrouwen, is echter niet gebleken. Hoewel hetgeen in haar woning gebeurt in beginsel de verantwoordelijkheid is van verzoekster, is de voorzieningenrechter gelet op voormelde omstandigheden van oordeel dat sprake is van sterk verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van verzoekster.
28. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS is inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. In dit geval heeft de verhuurder reeds aangekondigd dat bij sluiting van de woning zal worden overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst van verzoekster. Hoewel verzoekster volgens de burgemeester niet op een ‘zwarte lijst’ terecht zal komen, zullen de gevolgen van de sluiting van de woning voor haar dus groot zijn. Anders dan de burgemeester kennelijk meent, dient hij daar in zijn belangenafweging wel rekening mee te houden. Het besluit tot sluiting van de woning is namelijk een zelfstandige grondslag tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, gelet op het bepaalde in artikel 7:231, tweede lid, van de Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat verzoekster de woning zonder tussenkomst van een kantonrechter kan kwijtraken.