In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 4.731 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en had daarnaast € 13 aan belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag, welke door de inspecteur deels gegrond werd verklaard, maar belanghebbende ging in beroep omdat zij vond dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd en dat onvoldoende rekening was gehouden met waardeverminderingen van de handelsinkoopwaarde van de auto.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag was vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en stelt deze vast op een hoger bedrag. De rechtbank concludeert dat de inspecteur het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.