ECLI:NL:RBZWB:2025:9133

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 23/9369
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en CO2-uitstoot met verzoek om immateriële schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 606 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op basis van een CO2-uitstoot van 181 gr/km, terwijl belanghebbende een lagere CO2-uitstoot van 118 gr/km had opgegeven. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 11 november 2025, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar met vijftien maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.500, waarvan € 400 voor rekening van de inspecteur en € 1.100 voor rekening van de Staat. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, maar kent wel de schadevergoeding toe en vergoedt de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9369

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 606 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Volkswagen Golf Variant – 1.4 TSI Comfortline (hierna: de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 194. In de aangifte is vermeld dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 118 gram per kilometer (gr/km) (NEDC). Verder is in de aangifte aangegeven een historische nieuwprijs van de auto van € 32.057, een netto catalogusprijs van € 22.740, historische bruto Bpm van € 4.000 en handelsinkoopwaarde van € 1.560.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf] B.V. met datum 10 maart 2022 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 10.541, gebaseerd op een referentieauto vermeld in een koerslijst van Eurotax. De betreffende referentieauto is een Volkswagen Golf VII Variant 1.4 TSI Connected Series DSG. Verder heeft de taxateur een schadebedrag van € 11.010 geconstateerd aan de auto, en daarvan 72 procent (€ 7.927) als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen. Ook heeft de taxateur wegens een “schade verleden / herstelde schade” € 1.054 in mindering op de handelsinkoopwaarde gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat heeft de taxateur zodoende vastgesteld op € 1.560.
4.2.
Volgens de inspecteur is belanghebbende in de aangifte uitgegaan van een te lage CO2-uitstoot. Volgens hem is de CO2-uitstoot van de auto 181 gr/km NEDC. De inspecteur heeft de historische bruto Bpm gesteld op € 16.475. Overeenkomstig de aangifte heeft de inspecteur verder de historische nieuwprijs gesteld op € 32.057 en de handelsinkoopwaarde op € 1.560. De voor de auto verschuldigde Bpm heeft de inspecteur berekend op € 800.
4.3.
Rekening houdend met de reeds betaalde Bpm, heeft de inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag van € 606 opgelegd.

Motivering

CO2-uitstoot
5. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur de historische nieuwprijs te laag vastgesteld en niet in overeenstemming met de netto catalogusprijs. Volgens belanghebbende dient de historische nieuwprijs, gelet op de hogere CO2-uitstoot van 181 gr/km, te worden vastgesteld op € 43.990. Dat bedrag is opgebouwd uit een netto catalogusprijs van € 22.740, vermeerderd met € 4.775 Btw en € 16.475, de historische bruto Bpm van de auto zelf. Ter motivering van zijn standpunt heeft belanghebbende onder meer verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [1] .
5.1.
De inspecteur betwist de door belanghebbende gestelde verhoging van de historische nieuwprijs. Daartoe voert de inspecteur aan dat ter bepaling van de historische nieuwprijs van de auto niet bij de netto catalogusprijs van het referentievoertuig uit de koerslijst van Eurotax kan worden aangesloten. Er zit namelijk tussen het referentievoertuig uit de koerslijst en de auto een verschil in CO2-uitstoot van 63 gram per kilometer omdat wordt aangesloten bij een Nederlands referentievoertuig met een uitstoot van 118 gram per kilometer. Dat verschil wordt volgens de inspecteur veroorzaakt door een andere uitvoering van de auto. De referentieauto is namelijk geen “Comfortline” uitvoering maar een uitvoering omschreven als “Connected Series DSG”. Dat belet aldus dat die netto catalogusprijs kan dienen ter bepaling van de historische nieuwprijs van de auto. Een andere, wel op de auto betrekking hebbende netto catalogusprijs, is niet voorhanden, aldus de inspecteur.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de CO2-uitstoot van de auto 181 gr/km is. Met hetgeen de inspecteur daartoe heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de door de belanghebbende voorgestane netto catalogusprijs van de auto gemotiveerd heeft betwist. Dat betekent dat het vervolgens aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de netto catalogusprijs van het referentievoertuig uit de koerslijst Eurotax kan dienen als netto catalogusprijs ter bepaling van de historische nieuwprijs van de auto.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast voldoet.
Dat het verschil in CO2-uitstoot van 63 gram per kilometer tussen de referentieauto uit de koerslijst en de auto, zoals zij betoogt, uitsluitend is gelegen in een verschil in meetmethode, maakt belanghebbende niet aannemelijk. Die enkele stelling is tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur daarvoor namelijk onvoldoende.
5.4.
Belanghebbende heeft zodoende niet aannemelijk gemaakt dat de netto catalogusprijs van de referentieauto kan dienen ter bepaling van de historische nieuwprijs van de auto. Om die reden gaat de rechtbank niet mee in de door belanghebbende voorgestane verhoging van de historische nieuwprijs. Dat betekent dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd.
5.5.
Gelet op voorgaand oordeel komt de rechtbank aan beoordeling van de overige standpunten van de inspecteur niet toe.
Immateriële schadevergoeding
5.6.
Belanghebbende heeft op 29 augustus 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 22 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
5.8.
Omdat de bezwaarfase afgerond tien maanden heeft geduurd en daarmee vier maanden te lang komt € 400 (4/15e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.100) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 226,75. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] , echter de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.100;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 113,37 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, ro. 7.1.1 en 7.1.2.