In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende, een B.V. gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst van 10 november 2023 beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 1.151 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en daarnaast € 3 aan belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende had bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende had aangevoerd dat de inspecteur de historische nieuwprijs van de auto te laag had vastgesteld, maar de rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet voldoende bewijs heeft geleverd om deze stelling te onderbouwen. De rechtbank concludeert dat de inspecteur de CO2-uitstoot van de auto correct heeft vastgesteld en dat de naheffingsaanslag dus terecht is opgelegd.
Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar met veertien maanden is overschreden. De kosten voor procesvergoeding worden ook toegewezen, maar het griffierecht wordt niet vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.