ECLI:NL:RBZWB:2025:8230

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
24/6965
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van eiser tegen een besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) over de afwijzing van zijn aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft op 7 mei 2024 de aanvraag van eiser, die op 29 maart 2024 was ingediend, afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt, maar het CIZ heeft dit bezwaar ongegrond verklaard in een besluit van 10 september 2024. De rechtbank heeft de zaak op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser werd vertegenwoordigd door zijn moeder en een gemachtigde. Eiser, geboren in 2005, heeft een autisme spectrum stoornis en een verstandelijke beperking. De rechtbank heeft vastgesteld dat het CIZ onvoldoende heeft onderbouwd dat er bij eiser geen blijvende behoefte aan 24-uurszorg is. De rechtbank concludeert dat het CIZ alle beschikbare informatie heeft betrokken, maar dat er onvoldoende bewijs is dat eiser permanent toezicht of 24-uurszorg nodig heeft. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar het CIZ moet wel het griffierecht en proceskosten vergoeden aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6965 WLZ

uitspraak van 18 november 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. L.L. Ros,
en

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een besluit van het CIZ over de afwijzing van zijn aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.1.
Het CIZ heeft in een besluit van 7 mei 2024 (primair besluit) eisers aanvraag van 29 maart 2024 om Wlz-zorg afgewezen.
1.2.
Het CIZ heeft in het bestreden besluit van 10 september 2024 de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Het CIZ heeft op het beroep van eiser gereageerd middels een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door [naam 1] (eisers moeder en bewindvoerder). Zij werd bijgestaan door eisers gemachtigde en [tolk] , tolk in de somalische taal. Het CIZ werd vertegenwoordigd door mr. [naam 2] .

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. Eiser, geboren in 2005, heeft een autisme spectrum stoornis met spraaktaalproble-matiek en een verstandelijke beperking. In verband hiermee is namens hem op 17 september 2020 een Wlz-aanvraag ingediend. Met een besluit van 3 november 2020 – gehandhaafd in een beslissing op bezwaar van 20 april 2021 – heeft het CIZ de aanvraag afgewezen. Op basis van een medisch advies heeft het CIZ zich op het standpunt gesteld dat de grondslagen 'psychische stoornis' en 'verstandelijke handicap' aan de orde zijn, maar dat nog geen sprake is van een medisch objectief vast te stellen blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid in de zin van de Wlz. Deze rechtbank heeft in een uitspraak van 23 november 2022 (ECLI: NL:RBZWB:2022:7019) eisers beroep tegen het besluit van 20 april 2021 ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft deze uitspraak bevestigd in een uitspraak van 4 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1314). Op 29 maart 2024 is namens eiser bij het CIZ een nieuwe Wlz-aanvraag ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag is het CIZ overgegaan tot de bestreden besluitvorming.
Het standpunt van het CIZ in het bestreden besluit
3. Volgens het CIZ is bij eiser geen sprake van een blijvende noodzaak voor 24 uur zorg in de nabijheid. Hoewel hij op dit moment veel ondersteuning en begeleiding nodig heeft bij het dagelijks functioneren, is niet vast te stellen hoe de zorgbehoefte er in de toekomst uit zal gaan zien. Op dit moment zijn er geen zorgprofessionals die een plan hebben opgesteld met betrekking tot het vergroten van de zelfstandigheid. Er is ook geen plan waaruit blijkt welke doelen haalbaar zijn en of begeleiding of behandeling mogelijk is om deze doelen te behalen, noch zorgprofessionals die mogelijk interventies in gang kunnen zetten om de ontwikkeling te stimuleren. Op dit moment kan daarom geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de zorgbehoefte die eiser uiteindelijk zal hebben.
Eisers standpunt
4. Volgens eiser heeft hij (wel) recht op Wlz-zorg, omdat hij blijvend is aangewezen op 24-uurszorg in de nabijheid. Hij betoogt dat het CIZ ten onrechte uitgaat van resterende behandel- en ontwikkelmogelijkheden. Daarnaast is volgens eiser de medische informatie van MEE van 18 oktober 2023 ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld, terwijl daaruit zou blijken dat hij altijd op 24-uurszorg in de nabijheid zal zijn aangewezen.
Relevante wet- en regelgeving
5. In artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz is, onder meer, bepaald dat een verzekerde slechts toegang tot Wlz-zorg heeft, indien de daar genoemde grondslagen - waaronder de grondslagen 'verstandelijke handicap' en 'psychische stoornis' - leiden tot een blijvende behoefte aan 24 uurs zorg in de nabijheid.
Het medische onderzoek van het CIZ
6. Een medisch adviseur van het CIZ heeft het dossier van eiser bestudeerd. Daarbij heeft de adviseur kennisgenomen van correspondentie met een gezondheidszorgpsycholoog uit september 2010, een verslag van een intelligentieonderzoek van een andere gezondheidszorgpsycholoog van juni 2017, correspondentie met een revalidatiearts uit december 2017, een onderzoeksverslag van een logopedist uit juni 2018 en een psychologisch onderzoeksverslag van een gedragsdeskundige van Stichting MEE van oktober 2023. Volgens de medisch adviseur was het niet nodig om aanvullende informatie bij derden in te winnen, omdat dit geen meerwaarde zou hebben. De medisch adviseur concludeert dat bij eiser sprake is van de grondslagen 'verstandelijke handicap' en 'psychische stoornis'. Het is echter niet duidelijk welke van deze grondslagen de grootste invloed heeft op de zorgbehoefte. Na het onderzoek in 2023 heeft MEE geen voorstellen gedaan voor verdere begeleiding. Er is volgens de adviseur geen sprake van een stabiele eindsituatie. Mogelijk is eiser blijvend aangewezen op intensieve begeleiding, maar daarover kan pas een uitspraak worden gedaan als deskundigen de ontwikkelmogelijkheden van eiser hebben beoordeeld. De medisch adviseur stelt dat eerst een plan moet worden opgesteld waarin wordt vastgelegd welke doelen haalbaar zijn en welke interventies kunnen worden ingezet om deze te bereiken. Op basis van de huidige informatie kan nog niet worden beoordeeld hoe de uiteindelijke zorgbehoefte van eiser eruitziet. Ook kan op dit moment niet worden vastgesteld welke woonvorm of zorgsector het best aansluit bij zijn behoeften; daarvoor is nadere beoordeling door zorgprofessionals noodzakelijk. Binnenkort start eiser met dagbesteding bij Amarant. Volgens de adviseur kan dit een waardevolle ingang zijn om te onderzoeken welke interventies kunnen bijdragen aan meer zelfstandigheid. Dit kan tevens meer duidelijkheid geven over het toekomstperspectief ten aanzien van wonen. De medisch adviseur concludeert dat de huidige zorgbehoefte van eiser nog niet als blijvend kan worden beschouwd. Er zijn op dit moment geen zorgprofessionals betrokken die interventies uitvoeren om zijn ontwikkeling te stimuleren, en er ontbreekt een plan waarin zijn perspectief is uitgewerkt. Daarom kan op basis van de beschikbare gegevens geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over eisers uiteindelijke zorgbehoefte.
Wat is de te beoordelen periode in deze zaak?
7. De voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt van 29 maart 2024 (datum aanvraag) tot en met 10 september 2024 (datum bestreden besluit). Dit volgt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:283).
Beoordeling door de rechtbank
8. Niet in geschil is dat bij eiser sprake is van de grondslagen 'verstandelijke handicap' en 'psychische stoornis', die toegang kunnen geven tot Wlz-zorg. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het CIZ voldoende heeft onderbouwd dat bij eiser nog verbetering in zijn functioneren mogelijk is. Zoals de CRvB heeft geoordeeld (zie de uitspraken van 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2251, en van 4 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1324), is het criterium 'blijvendheid' in de Wlz en de Beleidsregels indicatiestelling Wlz onlosmakelijk verbonden met de vraag of iemand behoefte heeft aan Wlz-zorg. De beoordeling van de blijvendheid kan dus niet los worden gezien van de vaststelling van die zorgbehoefte. Dit betekent dat eerst moet worden beoordeeld of eiser behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Pas als die behoefte aanwezig wordt geacht, komt de vraag aan de orde of deze zorgbehoefte blijvend is, of dat er behandelmogelijkheden zijn die ertoe kunnen leiden dat de zorg niet langer nodig is. Alleen dan kan een aanvraag op grond van het blijvendheidscriterium worden afgewezen.
9. De rechtbank stelt vast dat het CIZ in het bestreden besluit geen duidelijk standpunt inneemt over de vraag of eiser behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, maar met name stelt dat niet kan worden vastgesteld of sprake is van een blijvende noodzaak voor 24 uur zorg in de nabijheid. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren, omdat het CIZ zijn standpunt ter zitting op afdoende wijze heeft aangevuld, door (gemotiveerd) te stellen dat er te weinig informatie was om vast te stellen dat eiser behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Hiervoor is het volgende van belang.
10. Uit de dossierstukken blijkt dat de juridisch medewerker van het CIZ in de bezwaarfase bij e-mail van 1 augustus 2024 aan eisers gemachtigde heeft gevraagd of hij beschikte over nieuwe medische informatie die aanleiding gaf om te twijfelen aan het medisch advies van 7 mei 2024, en of een hoorzitting gewenst was. In zijn reactie van 2 augustus 2024 heeft de gemachtigde aangegeven dat recent onderzoek was verricht bij Amarant naar eisers problematiek. Op verzoek van eiser zou hij hierover diezelfde dag contact opnemen met Amarant en na ontvangst van de informatie aanvullende gronden van bezwaar indienen. Een hoorzitting was mogelijk gewenst, maar dit zou hij eerst met eisers moeder bespreken. Het CIZ heeft vervolgens bij e-mail van 5 augustus 2024 bevestigd dat de bezwaarprocedure voor twee weken werd opgeschort in afwachting van aanvullende informatie. Op 19 augustus 2024 ontving het CIZ de aanvullende gronden van bezwaar. Daarin werd vermeld dat een behandeling bij Amarant was gestart en dat hierover later nog informatie zou worden verstrekt. Ook werd gesteld dat mogelijk gegevens van de behandelend specialist in het ETZ zouden worden opgevraagd, maar dat dit pas op een later moment mogelijk was. Diezelfde dag heeft het CIZ aan de gemachtigde bericht dat de bezwaarprocedure werd hervat, nadat deze had aangegeven dat op dat moment nog geen nieuwe medische informatie kon worden overgelegd en dat de rapportage van MEE als nieuwe informatie moest worden beschouwd. Vervolgens heeft het CIZ een conceptbeslissing op bezwaar aan de gemachtigde gezonden, met het verzoek om uiterlijk op 4 september 2024 te laten weten of een hoorzitting gewenst was. Op 5 september 2024 was geen reactie ontvangen. Het CIZ mocht daaruit afleiden dat de gemachtigde afzag van een hoorzitting. Het gebrek aan informatie – waarvan volgens beide partijen sprake is – komt onder deze omstandigheden voor eisers rekening en risico.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat het CIZ alle beschikbare informatie in de beoordeling heeft betrokken en op basis daarvan terecht heeft geconcludeerd dat de behoefte van eiser aan permanent toezicht of 24-uurszorg niet kan worden vastgesteld. De stelling van eiser dat het CIZ de medische informatie van Stichting MEE van 18 oktober 2023 niet inhoudelijk heeft beoordeeld, volgt de rechtbank niet. Op pagina’s 2 en 3 van het medisch advies wordt expliciet verwezen naar het onderzoek van MEE, en uit de betreffende passages blijkt dat de medisch adviseur de inhoud daarvan heeft meegewogen. Zo vermeldt het advies dat MEE in 2023 autisme heeft vastgesteld en dat na het onderzoek geen voorstellen voor verdere begeleiding zijn gedaan. De rechtbank overweegt verder dat het verslag van MEE geen passages bevat waaruit blijkt dat eiser behoefte heeft aan permanent toezicht of 24-uurszorg. De verklaring van eisers moeder dat zij haar zoon zijn hele leven tevergeefs heeft proberen te laten ontwikkelen, en dat hieruit zou volgen dat verdere ontwikkeling niet mogelijk is, biedt evenmin aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het CIZ, omdat deze verklaring niet is onderbouwd met objectieve medische gegevens. Aangezien niet is vastgesteld dat eiser behoefte heeft aan permanent toezicht of 24-uurszorg, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de blijvendheid van die behoefte.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Omdat sprake was van een gebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet het CIZ wel het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Omdat de zaak een gemiddeld van gewicht is, is op deze waarde de factor 1 toegepast. Dit betekent dat een bedrag van € 1.814,- voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het CIZ het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het CIZ tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 18 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.