ECLI:NL:RBZWB:2025:8186
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijk en gegrond beroep wegens niet tijdig nemen dwangsombeschikking WOZ-beschikking 2022
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een dwangsombeschikking door de heffingsambtenaar in verband met het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar over de WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting 2022 voor een object aan een adres. De rechtbank behandelde het beroep op 7 november 2025.
De heffingsambtenaar stelde dat een verdagingsbrief op 19 december 2024 was verzonden, waarmee de beslistermijn met zes weken werd verlengd, en dat de uitspraak op bezwaar van 6 februari 2025 binnen de termijn viel. Belanghebbende ontkende ontvangst van deze brief en stelde dat de ingebrekestelling op 3 januari 2025 niet prematuur was.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de verzending van de verdagingsbrief niet aannemelijk had gemaakt, omdat geen verzendadministratie of concrete bewijsstukken waren overgelegd. Hierdoor had de heffingsambtenaar uiterlijk 31 december 2024 een dwangsombeschikking moeten nemen, wat niet is gebeurd. De ingebrekestelling was derhalve niet prematuur en het beroep was ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank stelde de dwangsom vast op € 532,- voor de periode van 18 januari tot en met 6 februari 2025 en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt een dwangsom van € 532,- vast wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking.