Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de klachten
3 augustus 2016 opgelegde naheffingsaanslag in deparkeerbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Den Haag. De heffingsambtenaar stuurde op 10 november 2016 een brief waarin belanghebbende werd verzocht het bezwaar te herstellen wegens onvolledigheid. Belanghebbende stelde de ambtenaar in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de beslistermijn was opgeschort door de brief van 10 november 2016. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en achtte de stelling van belanghebbende dat hij de brief niet had ontvangen niet geloofwaardig, mede op basis van de uiteenzetting van de heffingsambtenaar over de verzending.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de brief daadwerkelijk is verzonden. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brief op het juiste adres is verzonden, noch een verzendadministratie overgelegd. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Het College wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.