Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:906

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
22/02323
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperking dwangsomregeling bij ingebrekestelling bestuursorgaan

Belanghebbende verzocht de Inspecteur om ambtshalve vermindering van een aanslag inkomstenbelasting 2014. Na uitblijven van een tijdige beslissing stelde belanghebbende de Inspecteur tweemaal in gebreke en vorderde toekenning van dwangsommen.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden kende één dwangsom toe voor het eerste ingebrekestelling, maar wees de tweede af omdat de wet geen ruimte biedt voor meerdere ingebrekestellingen en bijbehorende dwangsommen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat een ingebrekestelling een aansporing is en geen aanvraag in de zin van de Awb.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is, waardoor het bestuursorgaan niet opnieuw een dwangsom kan verbeuren bij uitblijven van een tweede dwangsombesluit. Tevens wijst de Hoge Raad op de mogelijkheid van beroep tegen het uitblijven van een dwangsombesluit volgens artikel 6:2 Awb Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat slechts één dwangsom kan worden toegekend bij ingebrekestelling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02323
Datum21 juni 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2022, nr. 21/00254 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/6309) betreffende een ingebrekestelling ter zake van het uitblijven van een beschikking tot vaststelling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:18 Awb Pro.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Sierts, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.1
Belanghebbende heeft op 23 maart 2018 de Inspecteur verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2014.
2.1.2
Op 7 december 2018 heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld ter zake van het niet tijdig beslissen op dit verzoek. Op 17 mei 2019 heeft belanghebbende de Inspecteur opnieuw in gebreke gesteld inzake het “verzoek tot herziening van IB/PVV 2014”.
De Inspecteur heeft bij beschikking van 20 mei 2019 beslist om belanghebbende geen dwangsom toe te kennen. Hij heeft het tegen dat dwangsombesluit gemaakte bezwaar bij uitspraak van 20 september 2019 afgewezen.
2.1.3
Op 10 oktober 2019 heeft de Inspecteur het hiervoor in 2.1.1 bedoelde verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur belanghebbende twee keer (namelijk: ter zake van elk van de twee hiervoor in 2.1.2 vermelde ingebrekestellingen) een dwangsom had moeten toekennen.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur ter zake van het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering de maximale dwangsom verbeurt van € 1.442.
2.2.3
Voor zover belanghebbende met de ingebrekestelling van 17 mei 2019 aanspraak maakt op een tweede dwangsom, heeft het Hof die aanspraak niet gehonoreerd. Het Hof heeft daartoe overwogen dat de wet niet de mogelijkheid biedt een ingebrekestelling waarop door het bestuursorgaan niet (tijdig) is gereageerd, te vervolgen met een nieuwe ingebrekestelling. Een dwangsombesluit is, aldus het Hof, niet een beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb.
2.3
De klachten zijn onder meer gericht tegen de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof.
2.4.1
Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan volgens artikel 4:17, lid 1, Awb een dwangsom aan de aanvrager voor elke dag dat het in gebreke is, maar voor ten hoogste 42 dagen. Onder aanvraag wordt volgens artikel 1:3, lid 3, Awb verstaan “een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen”. Artikel 4:17, lid 3, Awb bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Artikel 4:18 Awb Pro schrijft voor dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom was verschuldigd.
2.4.2
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de dwangsomregeling volgt dat de ingebrekestelling is bedoeld om het bestuursorgaan aan te sporen binnen een termijn van twee weken alsnog een beslissing te nemen op de in artikel 4:17, lid 1, Awb bedoelde aanvraag van een beschikking. Daarbij heeft de wetgever opgemerkt dat het enkele feit dat het bestuursorgaan de beslistermijn heeft overschreden zonder een beslissing te nemen, niet voldoende is voor het verbeuren van een dwangsom aan de aanvrager, maar dat deze de dwangsomregeling als het ware eerst moet activeren voordat de dwangsom gaat lopen. Het bestuursorgaan wordt door de ingebrekestelling bekend met het feit dat de beslistermijn in de ogen van de aanvrager is overschreden. [2] Volgens deze totstandkomingsgeschiedenis dient de ingebrekestelling voorts ter markering van het begin van de termijn waarop de dwangsom ook daadwerkelijk gaat lopen. [3]
2.4.3
Blijkens de wettelijke bepalingen over de dwangsom en de daarop gegeven toelichting vervult de ingebrekestelling dus enerzijds een attenderende en aansporende functie jegens het bestuursorgaan en anderzijds een functie ter bepaling van de aanvang van de termijn waarover de dwangsom is verschuldigd. Daarmee heeft de ingebrekestelling niet het karakter van een verzoek aan het bestuursorgaan om een (dwangsom)besluit te nemen. De in artikel 4:17, lid 3, Awb bedoelde ingebrekestelling kan daarom niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb. Een dwangsombesluit als bedoeld in artikel 4:18 Awb Pro is dan ook geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, zodat een bestuursorgaan niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen ervan. [4] Opmerking verdient dat tegen het uitblijven van een dwangsombesluit beroep kan worden ingesteld op de voet van artikel 6:2, aanhef en letter b, Awb in samenhang gelezen met artikel 6:12 Awb Pro. [5]
2.4.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, is het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende met de ingebrekestelling van 17 mei 2019 geen aanspraak kan maken op een tweede dwangsom, juist. De klachten falen in zoverre.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten evenmin kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2024.

Voetnoten

2.Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 7.
3.Zie Kamerstukken II 2005/06, 29 934, nr. 8, blz. 16.
4.Vgl. ook ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290.
5.Zie Kamerstukken II 2005/06, 29 934, nr. 8, blz. 7.