ECLI:NL:RBZWB:2025:8121

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
25/5224 en 25/5226
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen tegen besluiten van de burgemeester over de intrekking en weigering van een exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob

Op 20 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken 25/5224 en 25/5226, waarin verzoekers, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, een voorlopige voorziening vroegen tegen besluiten van de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland. Deze besluiten betroffen de intrekking en weigering van een exploitatievergunning voor een pension op het adres [adres 1]. De burgemeester had op 2 oktober 2025 besloten om de exploitatievergunning in te trekken en een nieuwe aanvraag te weigeren, waarbij hij zich baseerde op de Wet Bibob en adviezen van het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Verzoekers waren het niet eens met deze besluiten en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij hun pension konden blijven exploiteren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er een spoedeisend belang was voor verzoekers, aangezien zij inkomsten zouden mislopen als de exploitatie van hun pension stil zou liggen. De rechter wees het verzoek toe en bepaalde dat verzoeker 1 mocht handelen als ware zij in het bezit van de eerder verleende exploitatievergunning, tot twee weken na de uitspraak op de beroepen. De voorzieningenrechter benadrukte dat zijn oordeel voorlopig was en niet bindend voor de rechtbank in de bodemprocedure. De burgemeester werd veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten aan verzoekers.

De uitspraak is openbaar gemaakt en er is geen hoger beroep of verzet mogelijk tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/5224 en 25/5226

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2025 in de zaken tussen

vof [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3], verzoekers (gemachtigde: mr. J.L. Baar),
en

de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoekers tegen de bestreden besluiten van de burgemeester van 2 oktober 2025 over de intrekking (25/5226) en de weigering (25/5224) van een exploitatievergunning voor de exploitatie van een pension op het adres [adres 1] .
1.1.
Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben hiertegen beroep ingesteld. Het beroep tegen de intrekking heeft bij de rechtbank zaaknummer 25/5227 en het beroep tegen de weigering heeft zaaknummer 25/5225.
1.2.
Verzoekers vragen de voorzieningenrechter hangende de beroepsprocedures een voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en treft de voorziening dat [verzoeker 1] mag handelen als ware zij in het bezit van de eerder verleende exploitatievergunning, tot twee weken na de uitspraak op de beroepen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 15 mei 2022 heeft [bedrijf 1] B.V. ter attentie van [verzoeker 3] een exploitatievergunning aangevraagd voor het exploiteren van een pension op het adres [adres 1] .
2.1.
Op 12 oktober 2022 heeft de burgemeester de gevraagde exploitatievergunning verleend aan [bedrijf 1] .
2.2.
De burgemeester heeft op 23 februari 2023 het voornemen kenbaar gemaakt om die exploitatievergunning in te trekken op grond van artikel 1:5 en 1:6, onder b en d, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schouwen-Duiveland (APV).
2.3.
Naar aanleiding van dit voornemen heeft [verzoeker 3] op 8 maart 2023 namens [verzoeker 1] een nieuwe aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning.
2.4.
Met het besluit van 3 april 2023 (primair besluit I) is de exploitatievergunning ingetrokken op grond van artikel 1:5 en 1:6, onder b en d, van de APV. Hiertegen heeft [verzoeker 1] bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft op 7 juli 2023 [1] de voorlopige voorziening getroffen dat het besluit van 3 april 2023 is geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar of twee weken nadat een besluit is genomen op het verzoek om een nieuwe vergunning.
De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat [verzoeker 3] van de vergunning gebruik mag maken als ware zij adressant van de vergunning.
2.6.
De burgemeester heeft naar aanleiding van de nieuwe aanvraag voor een exploitatievergunning een onderzoek ingesteld op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (de Wet Bibob). De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) verzocht om advies. Het LBB heeft op 9 november 2023 advies uitgebracht.
2.7.
Op 7 december 2023 heeft de burgemeester het voornemen kenbaar gemaakt om de aangevraagde exploitatievergunning te weigeren op grond van artikel 3 van de Wet Bibob, artikel 1:8 en artikel 2:28, tweede lid, van de APV in samenhang met artikel 7 en artikel 3 van de Wet Bibob. Verzoekers hebben hun zienswijze naar voren gebracht. Naar aanleiding van de zienswijze heeft het LBB een nieuw advies uitgebracht op 15 april 2024.
2.8.
Op 26 september 2024 heeft de burgemeester het voornemen kenbaar gemaakt om de grondslag voor de intrekking van de eerdere exploitatievergunning aan te vullen met artikel 7, in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
2.9.
Op 26 september 2024 (primair besluit II) heeft de burgemeester de aangevraagde exploitatievergunning geweigerd. Hiertegen heeft [verzoeker 1] bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.
2.10.
De voorzieningenrechter heeft op 2 december 2024 [2] de voorlopige voorziening getroffen dat [verzoeker 1] mag handelen als zijnde in het bezit van de exploitatievergunning, zoals die was verleend op 12 oktober 2022, tot twee weken na de beslissing op bezwaar.
2.11.
Met de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 (bestreden besluit I) heeft de burgemeester het bezwaar tegen het intrekken van de exploitatievergunning ongegrond verklaard en die intrekking gehandhaafd. Dit in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaarschriften (hierna: commissie) en onder aanvulling van de grondslag met artikel 7, in samenhang met 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
2.12.
Met een andere beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 (bestreden besluit II) heeft de burgemeester het bezwaar tegen het weigeren van de exploitatievergunning – eveneens in afwijking van het advies van de commissie – ongegrond verklaard en die weigering gehandhaafd.
2.13.
Verzoekers hebben hiertegen beroepen ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.14.
De burgemeester heeft de effectuering van de bestreden besluiten opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. Ter zitting is die opschorting verlengd tot een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
2.15.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , bijgestaan door hun gemachtigde, en namens de burgemeester [persoon] en de gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3]
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de voorzieningenrechter staat vast, dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij hun verzoeken om voorlopige voorziening. Als gevolg van de besluiten van de burgemeester kunnen zij immers binnenkort hun pension aan de [adres 1] niet meer exploiteren.
Wettelijk kader
4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat is tussen partijen in geschil?
5. De burgemeester handhaaft de primaire grondslag voor intrekking van de exploitatievergunning voor het pension aan de [adres 1] , omdat die vergunning is aangevraagd door en verleend aan [bedrijf 1] in plaats van aan vof [verzoeker 1] of aan één de vennoten. De burgemeester stelt dat overschrijving op een andere naam niet mogelijk is.
5.1.
Verzoekers zijn het niet eens met die primaire grondslag en betwisten die in het beroep tegen de intrekking van de exploitatievergunning (25/5226). In deze voorlopige voorzieningenprocedure hebben de gemachtigden van zowel de burgemeester als de verzoekers dat onderdeel verder onbesproken gelaten. De voorzieningenrechter zal de primaire intrekkingsgrond op dit moment ook buiten beschouwing laten.
6. De burgemeester heeft de besluiten tot intrekking en weigering van de exploitatievergunning (mede) gebaseerd op de Bibob-adviezen van het LBB. [4]
6.1.
De burgemeester stelt zich in de bestreden besluiten I en II, kort samengevat, op het standpunt dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
Dit ernstige gevaar berust volgens de burgemeester enerzijds op feiten en omstandigheden die blijken uit de Bibob-adviezen van het LBB, en anderzijds uit nadien gebleken feiten en omstandigheden. De burgemeester somt deze in het verweerschrift als volgt op.
1.
Het in 2013 verbouwen en in gebruik nemen als pension van het pand [adres 1] / [adres 2] zonder de benodigde vergunningen en in strijd met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Drank- en Horecawet (DHW), de APV, de Woningwet, en het Bouwbesluit 2012
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat dit ‘oude’ feiten zijn, waarover inhoudelijk geen geschil bestaat, maar dat partijen verdeeld zijn over de vraag of deze feiten nog bij de gevaarsbeoordeling mogen worden betrokken. Volgens verzoekers niet, volgens de burgemeester wel, zij het minder zwaarwegend. Deze feiten zijn volgens de burgemeester nog wel relevant, omdat soortgelijke feiten ook later voorkomen met betrekking tot [adres 1] .
2)
Het verbouwen en in gebruik nemen als pension van het pand [adres 1] zonder de benodigde vergunningen in de periode van 17 juni 2021 tot en met 6 mei 2023
Voor deze overtreding is een last onder dwangsom opgelegd. Na legalisatie is deze last ingetrokken, maar bij besluit van 24 juni 2025 is het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep heeft zaaknummer 25/3831. Dit besluit is dus nog niet onherroepelijk en de overtreding is nog in geschil.
3)
Het overtreden van het Arbeidsomstandighedenbesluit op 20 juni 2023 door [bedrijf 2] B.V. (valgevaar medewerkers)
Het LBB heeft bij haar beoordeling betrokken dat de Arbeidsinspectie bij een aan [verzoeker 2] gelieerde onderneming ( [bedrijf 2] ) een mondeling bevel tot stillegging van werk heeft gegeven, wegens het plaatsen van zonnepanelen waarbij valgevaar niet voldoende was voorkomen. De commissie stelt dat er geen samenhang is en dat de overtreding vrijwel direct ongedaan is gemaakt. Volgens de burgemeester is er wel samenhang, omdat [verzoeker 1] ook personeel heeft en zich daar al gevaar heeft voorgedaan vanwege de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie die niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Deze overtreding wordt door verzoekers betwist. Volgens verzoekers is er alleen een melding geweest, maar is er geen rapport opgemaakt en geen (boete-)besluit genomen waartegen eerder rechtsmiddelen hadden kunnen worden aangewend.
4)
Ten onrechte niet vermelden in de Bibob-aanvraag dat verzoekers als verdachte zijn aangemerkt (valsheid in geschrift)
De gemachtigde van verzoekers heeft gesteld dat de vermeende valsheid in geschrift niet aan de gevaarsconclusie c.q. de weigeringsgrond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob ten grondslag mag worden gelegd, omdat verzoekers hiervan zijn vrijgesproken door de politierechter en op 21 oktober 2025 in hoger beroep door het gerechtshof ook zijn vrijgesproken.
De voorzieningenrechter heeft op de zitting gewezen op artikel 3a van de Wet Bibob: in geval van een rechterlijke uitspraak houdende vrijspraak, wordt de mate van gevaar niet op grond van dat strafbare feit vastgesteld.
De burgemeester stelt evenwel dat de wetgever hiermee een onherroepelijke vrijspraak bedoelt en dat daarvan ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten nog geen sprake was. De burgemeester blijft dus bij zijn standpunt dat dit feit bij de beoordeling van de gevaarsconclusie mocht worden betrokken.
5)
Het zonder vergunning plaatsen van zonnepanelen aan de [adres 3]
Voor deze overtreding is een last onder dwangsom opgelegd. Dat na het opleggen van de last alsnog een vergunning is aangevraagd en verleend, maakt volgens de burgemeester niet dat hij dit feit niet mag betrekken bij de gevaarsbeoordeling. In de uitspraak van deze rechtbank van 22 mei 2025 [5] is het beroep inzake deze last ongegrond verklaard en is de last onder dwangsom in stand gebleven. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld, zodat de overtreding in rechte vaststaat.
6)
Het verbouwen en in gebruik nemen als pension van de panden [adres 4] & [adres 5] zonder de benodigde vergunningen en in strijd met de Wabo en de APV, de Woningwet, en het Bouwbesluit 2012, in de periode van 17 juni 2021 tot en met 28 januari 2024
Voor het strijdig gebruik van deze panden als logiesgebouw is op 5 juli 2021 een last onder dwangsom opgelegd. Een omgevingsvergunning om het gebruik van de panden te wijzigen naar pension is geweigerd. Verzoekers stellen zich daarbij op het standpunt dat sprake is van legale B&B’s. In de uitspraak van deze rechtbank van 25 september 2025 [6] is het beroep ongegrond verklaard. Hiertegen is hoger beroep ingesteld.
7)
Het overtreden van de last onder dwangsom van 5 juli 2021 ( [adres 4] & [adres 5] )
In de uitspraak van deze rechtbank van 25 september 2025 [7] is het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard. Hiertegen is hoger beroep ingesteld.
8)
Het voortzetten van het strijdig gebruik als logiesgebouw in de periode van januari 2024 tot en met 15 mei 2024 ( [adres 4] & [adres 5] )
Hiervoor zijn op 25 februari 2025 nieuwe lasten onder dwangsom opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 30 september 2025 zijn deze lasten deels in stand gebleven. Hiertegen is beroep ingesteld (zaaknummers 25/5782 en 25/5784).
9 )
Het in strijd met de APV exploiteren van een logiesgebouw in april en mei 2023 ( [adres 1] )
Hiervoor is op 25 mei 2023 een last onder dwangsom opgelegd. Dit was voordat de voorzieningenrechter op 7 juli 2023 bepaalde dat [verzoeker 3] gebruik mocht maken van de exploitatievergunning [8] (zie punt 2.5). Het bezwaar tegen deze last is op 2 oktober 2025 ongegrond verklaard. Daartegen is beroep ingesteld (zaaknummer 25/5780). De gemachtigde van verzoekers wijst er nog op dat de voorzieningenrechter in de uitspraak de burgemeester in overweging heeft gegeven om de last in te trekken en niet over te gaan tot invordering van verbeurde dwangsommen.
10)
Het in strijd met de APV plaatsen van een container op de openbare weg, het zonder sloopmelding slopen van meer dan 10 m3 sloopafval en het verrichten van sloopwerkzaamheden zonder asbestinventarisatierapport ( [adres 6] )
Hiervoor is dat pand met een last onder bestuursdwang gesloten en is er een last onder dwangsom opgelegd. Deze zijn bij beslissing op bezwaar van 24 juni 2025 in stand gelaten. Hiertegen zijn beroepen ingesteld (zaaknummers 25/4776 en 25/383 9 ).
Het oordeel van de voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter constateert, evenals de voorzieningenrechter in de uitspraak van 2 december 2024 [9] , dat een flink deel van de overtredingen die de burgemeester ten grondslag heeft gelegd aan zijn beoordeling nog onderwerp zijn van lopende procedures (2, 6, 7, 8, 9 en 10). Twee andere gestelde overtredingen (3 en 4) worden door verzoekers uitdrukkelijk betwist. De meeste overtredingen staan dus nog niet vast.
7.1.
Ook blijft in discussie of voldaan is aan het samenhangcriterium. Bij veel gestelde overtredingen wordt de samenhang door verzoekers uitdrukkelijk betwist.
De overtreding onder 5 (het zonder vergunning plaatsen van zonnepanelen aan de [adres 3] ) staat bijvoorbeeld wel in rechte vast, maar de samenhang met de exploitatie van het pension aan de [adres 1] is niet evident. Volgens de burgemeester is sprake van samenhang omdat verzoekers een patroon laten zien waarbij continu dingen worden gedaan zonder vergunning. Tot op zekere hoogte kan de voorzieningenrechter de burgemeester hierin wel volgen, maar van een rechtstreeks verband is geen sprake.
7.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat er, gezien de veelheid aan gestelde overtredingen, vooralsnog wel gevaar lijkt te zijn in het kader van de Wet Bibob, maar de voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een grondige beoordeling daarvan. In de bodemprocedures zal moeten worden uitgezocht of sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning voor het pension aan de [adres 1] mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Die beoordeling is te complex voor een spoedprocedure als deze.
7.3.
Voorts zal in het kader van de evenredigheid, op grond van artikel 3, lid 5 van de Wet Bibob, beoordeeld moeten worden of dat gevaar zodanig groot is dat dit aanleiding mocht zijn voor de burgemeester om de exploitatievergunning in te trekken en te weigeren. In dit verband verschillen partijen onder meer van mening over de betekenis van de zogenaamde ‘Centavos-uitspraak’ van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [10] . Dit is een principiële discussie die zich niet goed leent voor een voorlopige voorziening.
7.4.
De voorzieningenrechter ziet dan ook geen mogelijkheid om nu ook uitspraak te doen in de hoofdzaken. [11] Dit is op zitting met partijen besproken. Daarbij heeft de voorzieningenrechter aangegeven dat het streven is de beroepen - tegelijk met alle of in elk geval zoveel mogelijk beroepszaken van verzoekers - in maart of april 2026 op zitting te behandelen. Het is nog niet duidelijk of dit praktisch gezien mogelijk is.
7.5.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich op dit moment zal beperken tot een belangenafweging.
7.5.1.
Enerzijds is er het evidente belang van verzoekers. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat zij veel inkomsten zullen moeten missen als de exploitatie van hun pension stil ligt in afwachting van de behandeling van de beroepszaken.
7.5.2.
Daar staat tegenover het algemene belang van voorkoming dat in die periode (mede) door het gebruik van de exploitatievergunning strafbare feiten worden gepleegd. De burgemeester heeft het gevaar daarop in algemene zin onderbouwd door te verwijzen naar het Bibob-advies. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de burgemeester er echter niet in geslaagd voldoende te onderbouwen waaruit het concrete gevaar op dit moment bestaat. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat de exploitatie van het pension aan de [adres 1] – na het verlenen van de benodigde vergunningen en het voldoen aan enkele lasten – tot aan de intrekking van de exploitatievergunning in overeenstemming was met de geldende regelgeving, zowel op het gebied van het omgevingsrecht als de APV. Zo is de (brand-)veiligheid van gasten en personeel op [adres 1] niet (meer) in het geding.
7.6.
Onder deze omstandigheden weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekers op dit moment zwaarder. Daarom zal hij het verzoek toewijzen en de voorziening treffen dat [verzoeker 1] in afwachting van de uitspraken op beide beroepen mag handelen als ware zij in het bezit van een exploitatievergunning.
7.7.
Daarbij wijst de voorzieningenrechter er voor de volledigheid op dat, mocht de burgemeester nieuwe strafbare feiten constateren, hij een verzoek kan indienen tot opheffing van de bij deze uitspraak getroffen voorziening.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat de vof [verzoeker 1] mag handelen als ware zij in het bezit van de exploitatievergunning, zoals die was verleend op 12 oktober 2022, tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken met de zaaknummers 25/5225 en 25/5227.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers vergoeden.
8.2.
Ook krijgen verzoekers een vergoeding van hun proceskosten.
De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft in deze twee samenhangende zaken een verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 9 07,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat vof [verzoeker 1] mag handelen als ware zij in het bezit van de exploitatievergunning, zoals die was verleend op 12 oktober 2022, tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep in beide hoofdzaken;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van in totaal € 770,- aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 20 november 2025 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage wettelijk kader

Algemene plaatselijke verordening gemeente Schouwen-Duiveland 2015 (APV)

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
de houder dit verzoekt.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden
1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
de openbare veiligheid;
de volksgezondheid;
e bescherming van het milieu.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren of intrekken als de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of voorbereidingsbesluit of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning of trekt hij de vergunning in als de aanvrager niet of niet langer voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 8, leden 1 en 2 van de Drank- en Horecawet.

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
[…]
strafbare feiten te plegen.
[…]
Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
de aard van de relatie en
het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
[…]
De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
de mate van gevaar en
voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
Artikel 3a, lid 3
In geval van een rechterlijke uitspraak houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, niet op grond van dat strafbare feit vastgesteld.
Artikel 7, lid 1
Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Voetnoten

3.artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
4.Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob en artikel 2:28, tweede lid, van de APV.
10.Uitspraak van 1 9 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:631.
11.Met toepassing van artikel 8:86 van de Awb.