Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het niet voeren van de vereiste fietsverlichting op de Gortstraat te Middelburg op 30 oktober 2022. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, met het argument dat hij de Nederlandse verkeersregels niet kende en financieel niet in staat was de boete te betalen.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene in beroep ging bij de kantonrechter. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststond en de boete terecht was opgelegd. Echter werd geconstateerd dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden, omdat betrokkene niet was gehoord terwijl dit wettelijk vereist was.
Daarnaast was de redelijke termijn van behandeling overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar duurde. Op grond hiervan werd het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd wegens schending hoorplicht en nogmaals met 25% wegens termijnoverschrijding, in totaal 50% matiging.
De kantonrechter wijzigde de boete dienovereenkomstig en beval terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan betrokkene. De uitspraak werd gedaan op 3 januari 2025 door kantonrechter W.H.C. van Eck.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete is met 50% gematigd wegens schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.