ECLI:NL:RBZWB:2025:7682
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €3.229 en een belastingrentebeschikking van €8 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd en of de waardering van de auto correct is vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht is uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel per 13 juli 2022 en dat de koerslijst van belanghebbende met datum 30 juni 2022 als uitgangspunt geldt. De waardevermindering wegens schade is niet voldoende onderbouwd en wordt niet in aanmerking genomen. De naheffingsaanslag is daardoor terecht en niet te hoog vastgesteld.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met acht maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000. De rechtbank verdeelt deze vergoeding tussen de inspecteur en de Staat en veroordeelt hen tot betaling van proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.