Belanghebbende maakte gebruik van bijzonder uitstel van betaling vanwege de coronaperiode en kreeg een betalingsregeling opgelegd. Na meerdere aanmaningen en waarschuwingen beëindigde de ontvanger de regeling wegens achterstanden. Vervolgens werd een dwangbevel uitgevaardigd met kosten van €14.597.
Belanghebbende stelde dat de kosten disproportioneel en onredelijk waren, mede vanwege de coronacrisis, en dat deze als boete werden gebruikt. De rechtbank overwoog dat de kosten conform de wettelijke bepalingen van de Kostenwet zijn berekend en dat de rechter geen ruimte heeft om de redelijkheid van de wettelijke kosten te toetsen.
De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de wettelijke regeling rechtvaardigen. Ook is er geen sprake van een strafkarakter van de kosten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de kosten blijven in stand en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.