Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een bromfiets op 17 augustus 2022. Betrokkene stelde beroep in tegen deze boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd het beroep bij de kantonrechter behandeld op 3 juli 2025, waarbij betrokkene en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.
De kantonrechter stelde vast dat uit het RDW-dossier voldoende bleek dat de bromfiets niet verzekerd was op de peildatum, en dat het nalaten van verzekering de verantwoordelijkheid van de kentekenhouder is. De boete was daarom terecht opgelegd. Echter, de procedure duurde ruim acht maanden langer dan de redelijke termijn van twee jaar, zoals vastgesteld in vaste rechtspraak, waardoor de boete met 25% moest worden gematigd.
Naast de matiging van de boete tot € 277,50 plus administratiekosten, werd het bedrag van € 92,50 dat betrokkene te veel als zekerheid had betaald terugbetaald. Ook werd een proceskostenvergoeding van € 226,75 toegekend, berekend op basis van de kosten van de kantonrechterfase en een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte mate van matiging.
De beslissing van de officier van justitie werd hiermee gewijzigd, en betrokkene werd geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.