Belanghebbende, een stichting opgericht in 2007 met als doel het bevorderen van het cultureel, sociaal en maatschappelijk erfgoed van een dorpsgemeenschap, kreeg per 1 januari 2008 de ANBI-status toegekend. De inspecteur trok deze status met terugwerkende kracht per 31 december 2023 in, omdat de stichting voornamelijk het dorpshuis verhuurt, wat volgens vaste jurisprudentie geen algemeen nuttige werkzaamheid is.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden door niet te voldoen aan de gemaakte afspraken over een tweede hoorronde, waardoor belanghebbende onvoldoende gelegenheid kreeg om te reageren op het voorgenomen standpunt. Hierdoor werd de uitspraak op bezwaar vernietigd.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende, bestaande uit de verhuur van het dorpshuis, niet rechtstreeks het algemeen nut dienen en dat het beoogde doel niet voor meer dan 90% ten bate van het algemeen belang strekt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank handhaafde daarom de intrekking van de ANBI-status en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.