Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die was vastgesteld op €599.000 per 1 januari 2022. Hij stelde dat de waarde maximaal €504.000 zou moeten zijn, uitgaande van de eigen aankoopsom van €455.000 eind 2020. De heffingsambtenaar stelde echter dat de woning na aankoop ingrijpend was verbouwd, waardoor de aankoopsom niet representatief was en de vergelijkingsmethode moest worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een verbouwing, mede op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het verwijderen van een draagmuur en luchtfoto’s die wijzigingen aan de achtergevel lieten zien. Belanghebbende had geen gehoor gegeven aan verzoeken om informatie en geen toestemming verleend voor een inpandige opname, waardoor de heffingsambtenaar beperkte informatie had.
De heffingsambtenaar had een taxatiematrix opgesteld met referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar waren en rekening gehouden met verschillen in oppervlakte, kwaliteit en voorzieningen. Na correctie van een rekenfout in de taxatiematrix werd de waarde vastgesteld op €594.000. De rechtbank vond deze waarde aannemelijk en oordeelde dat het beroep gegrond was, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB dienovereenkomstig werden verminderd.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat belanghebbende slechts één vergelijkingswoning had aangedragen en de woningen niet identiek waren. De rechtbank bepaalde dat de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden, maar geen proceskostenvergoeding verschuldigd was.