Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn twee-onder-een-kapwoning voor de waardepeildata 1 januari 2019 en 1 januari 2020. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op respectievelijk €222.000 en €234.000, onderbouwd met taxatierapporten en waardematrices die referentieobjecten in de buurt gebruikten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof. Tijdens de zitting op 7 april 2022 werd het geschil inhoudelijk behandeld, waarbij het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde op de juiste wijze had vastgesteld volgens de wettelijk voorgeschreven systematische vergelijkingsmethode.
Belanghebbende voerde aan dat andere woningen in zijn straat lagere WOZ-waarden hadden, wat volgens hem tot een ongelijke behandeling leidde. Het hof overwoog dat de belastingrechter niet bevoegd is om WOZ-waarden van andere woningen te corrigeren en dat het gelijkheidsbeginsel alleen in beperkte gevallen kan leiden tot aanpassing, wat hier niet aan de orde was.
Het hof concludeerde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarden aannemelijk had gemaakt en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens wees het hof een vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is op 1 juni 2022 in het openbaar gedaan en bevestigd de eerdere uitspraken van de rechtbank.