Belanghebbende BV werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2019 en 2020, inclusief vergrijp- en verzuimboetes. De inspecteur stelde dat de voorbelasting op facturen van een derde partij ([B.V.]) ten onrechte in aftrek was gebracht, omdat deze facturen onjuist waren en de diensten niet waren verricht.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de facturen van [B.V.] betrekking hadden op daadwerkelijk verrichte diensten. De facturen ontbraken aan een btw-nummer, een juist adres en een duidelijke prijsbepaling, en de activiteiten van [B.V.] kwamen niet overeen met de overeengekomen werkzaamheden. Hierdoor waren de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.
De boetes werden wel verminderd omdat de rechtbank vaststelde dat de redelijke termijn voor de procedure met drie maanden was overschreden. De vergrijpboetes van 25% en verzuimboetes van 10% werden verlaagd met 5%, resulterend in aangepaste boetebedragen. De belastingrente werd gehandhaafd. De rechtbank bepaalde tevens dat de inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.