Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag bpm van €3.951 en de daarbij behorende belastingrente. De inspecteur had de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde van de gebruikte auto vastgesteld op basis van een koerslijst, zonder rekening te houden met schade. Belanghebbende stelde dat de historische nieuwprijs hoger moest worden vastgesteld en dat schade in mindering moest worden gebracht.
De rechtbank oordeelde dat het hoorrecht niet was geschonden, omdat het hoorgesprek wel had plaatsgevonden maar op initiatief van de gemachtigde voortijdig was beëindigd. De rechtbank volgde belanghebbende in zijn stelling dat de historische nieuwprijs hoger moest worden vastgesteld dan de inspecteur had gedaan, omdat de inspecteur onvoldoende had gemotiveerd waarom zijn vergelijkingsvoertuig beter aansloot.
De rechtbank wees het beroep toe door de naheffingsaanslag te verminderen tot €3.632. De door belanghebbende gestelde schade werd niet erkend wegens onvoldoende bewijs. Daarnaast kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €2.000 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 23 maanden. Tevens werd proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend aan belanghebbende.