Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van een verplichte verzekering voor een motorvoertuig op 9 september 2022. Betrokkene voerde aan niet goed op de hoogte te zijn van de Nederlandse regelgeving en dat het voertuig al was verkocht bij ontvangst van de beschikking.
De officier van justitie verklaarde het eerste beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststaat en dat de kentekenhouder verantwoordelijk is voor het verzekeren van het voertuig. De boete was daarom terecht opgelegd.
De kantonrechter oordeelde dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak was overschreden, waardoor de boete met 25% moest worden gematigd. Tevens was de hoorplicht geschonden doordat betrokkene niet was gehoord bij het eerste beroep, wat eveneens een matiging van 25% rechtvaardigde.
De boete werd derhalve gematigd tot € 225,- plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag van € 175,- moest worden terugbetaald. Het beroep werd zo gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete gematigd tot € 225,- plus administratiekosten.