ECLI:NL:RBZWB:2024:7441
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarden en OZB-aanslagen voor woning 2022 en 2023
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning en maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden vastgesteld per 1 januari 2021 en 1 januari 2022, respectievelijk voor de belastingjaren 2022 en 2023. De heffingsambtenaar stelde de waarden vast op €764.000 en €873.000, terwijl belanghebbende lagere waarden van €720.000 en €809.000 verdedigde.
De rechtbank toetste de waardebepaling aan de hand van de Wet WOZ en de vergelijkingsmethode, waarbij de heffingsambtenaar referentiewoningen gebruikte die qua ligging, bouwjaar en kenmerken voldoende vergelijkbaar waren. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk had gemaakt hoe met verschillen tussen de woningen rekening was gehouden, onder meer door prijsindexering en correcties op grondprijs en voorzieningen.
Belanghebbende voerde aan dat het gebruikte algoritme onvoldoende waarborg bood en dat de waardestijging van zijn woning disproportioneel was ten opzichte van vergelijkbare woningen, wat een schending van het gelijkheidsbeginsel zou betekenen. De rechtbank verwierp dit omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de woningen identiek waren en dat de verschillen verwaarloosbaar waren.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld en dat het beroep ongegrond is, waardoor de WOZ-waarden en de aanslagen OZB gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarden en OZB-aanslagen voor 2022 en 2023 is ongegrond verklaard en de vastgestelde waarden worden gehandhaafd.