Belanghebbende en zijn broer hebben zich borg gesteld voor zes leningen die hun vastgoedvennootschap bij een bank had afgesloten. De rechtbank beoordeelt of deze borgstelling zakelijk was, waarbij een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest dezelfde borgstelling te aanvaarden onder dezelfde voorwaarden.
De rechtbank concludeert dat geen vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest borg te staan. Dit oordeel baseert zij op het feit dat de vastgoed-bv weinig eigen vermogen had, de leningen fors waren, belanghebbende geen zekerheden of vergoeding bedong, en afstand deed van regresrechten. Dit duidt op een aandeelhoudersmotief.
Daarmee is sprake van een onzakelijke borgstelling. De gevolgen zijn dat de betaalde bedragen niet als kosten voor het ter beschikking stellen van vermogen aftrekbaar zijn in de inkomstenbelasting. De beroepen van belanghebbende tegen de aanslagen en belastingrente worden ongegrond verklaard.