Belanghebbende, aandeelhouder van twee vastgoedvennootschappen, stelde zich borg voor leningen die de vennootschap had afgesloten bij een bank. Na beëindiging van de financiering en het aanspreken van de borgstelling, sloten belanghebbende en zijn broer een vaststellingsovereenkomst waarbij zij in totaal €600.000 betaalden.
Belanghebbende verzocht om aftrek van deze kosten als kosten voor het ter beschikking stellen van vermogen in de aangiften inkomstenbelasting 2017 en 2018. De inspecteur wees dit af omdat de borgstelling als onzakelijk werd aangemerkt, wat betekent dat het handelen van belanghebbende als aandeelhouder wordt gezien en de kosten niet aftrekbaar zijn.
De rechtbank bevestigde dat geen onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest dezelfde borgstelling te accepteren zonder vergoeding of zekerheden, en dat de borgstelling is gedaan vanuit aandeelhoudersmotief. Hierdoor is sprake van een onzakelijke borgstelling en zijn de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard.