ECLI:NL:RBZWB:2024:61
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing afwaarderingsverlies wegens onzakelijke lening bij verkoop vennootschap
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019 en de daarop gebaseerde beschikking belastingrente. De kern van het geschil betreft de vraag of een lening van € 2.000.000, verstrekt in verband met de verkoop van een dochtervennootschap, als zakelijk kan worden aangemerkt. De lening is niet rechtstreeks aan de koper verstrekt, maar via de dochter van de dga, wat de rechtbank onzakelijk acht.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, ook niet tegen een hogere rente. Er is geen zakelijke reden gegeven voor de vormgeving van de lening via de dochter, geen zekerheden gesteld en geen informatieplicht bedongen. De lening wordt daarom als onzakelijk beoordeeld.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als rechtvaardigingsgrond, maar dit wordt verworpen vanwege het ontbreken van een zakelijke relatie tussen belanghebbende en de dochter. Ook de stellingen over schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden niet gegrond verklaard. De belastingrente wordt volledig in stand gelaten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om teruggaaf van griffierecht en proceskosten af en bevestigt de aanslag en belastingrente. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 januari 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het afwaarderingsverlies wordt niet toegelaten.