ECLI:NL:RBZWB:2024:3467
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen teruggaaf BPM en immateriële schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de teruggaaf van BPM na export van een Ferrari Portofino. De kern van het geschil betrof de vraag of het beroep aangehouden moest worden tot het verstrijken van de vijfjaarstermijn voor naheffingsaanslagen en of een hogere teruggaaf op grond van artikel 110 VWEU Pro moest worden verleend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep niet aangehouden hoeft te worden en dat de teruggaaf naar het juiste bedrag heeft plaatsgevonden. De stelling van belanghebbende dat artikel 110 VWEU Pro een hogere teruggaaf vereist, wordt verworpen omdat bij parallel ingevoerde auto's reeds rekening is gehouden met lagere BPM bij import en export, waardoor geen sprake is van discriminatie.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met drie maanden is overschreden, waarvoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de teruggaafbeschikking blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de teruggaaf BPM blijft ongewijzigd; de Staat betaalt een immateriële schadevergoeding en proceskosten.