ECLI:NL:RBZWB:2023:9162

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 december 2023
Publicatiedatum
28 december 2023
Zaaknummer
AWB- 23_10927 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:81 AwbArt. 3 ParticipatiewetArt. 17 ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding

Verzoekster kreeg een bijstandsuitkering toegekend als alleenstaande ouder en woonde met haar minderjarige kind op een adres in Zeeuws-Vlaanderen. Het college trok haar bijstandsuitkering met terugwerkende kracht in per 20 juli 2023, omdat zij niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner, met wie zij twee kinderen heeft.

Het college baseerde de intrekking op onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche, waaronder waarnemingen, buurtverklaringen, een huisbezoek en informatie van de werkgever van de ex-partner. Deze gegevens wezen erop dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de ex-partner lag op het uitkeringsadres, wat een gezamenlijke huishouding impliceert. Verzoekster voerde aan dat het college onvoldoende had aangetoond dat haar ex-partner daadwerkelijk op het adres woonde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat de ex-partner zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en dat verzoekster daarmee de inlichtingenplicht had geschonden. Omdat het besluit naar verwachting in bezwaar stand houdt, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10927

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 december 2023 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [woonplaats verzoekster] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster ten aanzien van de intrekking van haar recht op bijstand.
1.1.
Op 9 november 2023 heeft het college per email aan de gemachtigde van verzoekster aangegeven het voornemen te hebben het recht op bijstand in te trekken. Er zal niet langer worden uitbetaald.
1.2
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening verzocht.
1.3
Bij besluit van 29 november 2023 heeft het college verzoeksters recht op bijstand ingetrokken per 20 juli 2023 en teruggevorderd over de periode van 20 juli 2023 tot 1 oktober 2023. Verder is een boete opgelegd van € 3.499,91. De voorzieningenrechter merkt dit besluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar gericht tegen het niet meer betalen van de bijstandsuitkering heeft op grond van dit artikel van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 november 2023.
1.4
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
2. Aan verzoekster is door het college per 24 mei 2023 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat sinds 16 mei 2023 met haar minderjarige kind in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres verzoekster] in [woonplaats verzoekster] (hierna: het uitkeringsadres). Op 16 juni 2023 is verzoekster van haar tweede kind bevallen. De ex-partner en vader van de kinderen, de heer [naam ex-partner] (hierna: [naam ex-partner] ), staat in de BRP op een adres in [woonplaats] ingeschreven.
Gelet op het feit dat [naam ex-partner] intensief contact had met het college over de bijstandsuitkering van verzoekster en gelet op het feit dat verzoekster verklaarde nog geen inboedel te hebben voor haar nieuwe woning, ontstond bij het college het vermoeden dat verzoekster bij haar ouders in [woonplaats] zou verblijven of nog bij haar ex-partner in [woonplaats] . De Sociale Recherche Zeeuws-Vlaanderen is een onderzoek gestart.
In de periode van 20 juli 2023 tot en met 17 oktober 2023 zijn waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. Op 17 oktober 2023 is een huisbezoek verricht op het uitkeringsadres en is met verzoekster en [naam ex-partner] gesproken. Er is vervolgens een buurtonderzoek gestart. Ook is informatie verkregen van de werkgever van [naam ex-partner] .
Uit de onderzoeksbevindingen in hun onderlinge samenhang blijkt volgens het college dat het persoonlijk leven van [naam ex-partner] ligt op het uitkeringsadres. Er is volgens de onderzoeksbevindingen sprake van een gezamenlijke huishouding op dit adres vanaf ten minste 20 juli 2023.
Op 9 november 2023 heeft de gemachtigde van verzoekster bij het college aangegeven dat de bijstandsuitkering over de maand oktober 2023 nog niet is uitbetaald, terwijl er geen brief of andere mededeling is ontvangen waaruit kan blijken dat de (uitbetaling van de) uitkering wordt stopgezet of opgeschort.
Op 9 november 2023 heeft het college de gemachtigde van verzoekster een emailbericht gestuurd waarin is aangegeven dat het voornemen bestaat het recht op bijstand in te trekken en dat niet meer betaald zal worden. De verwachting is dat de beschikking hierover binnen twee weken verstuurd zal worden. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van de bijstandsuitkering.
Bestreden besluit
3. Bij besluit van 29 november 2023 (bestreden besluit) heeft het college het recht op bijstand ingetrokken per 20 juli 2023 en de al verstrekte uitkering over de periode van 20 juli 2023 tot 1 oktober 2023 teruggevorderd.
Het college baseert zich op de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche Zeeuws-Vlaanderen, waaruit volgt dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [naam ex-partner] ligt op het uitkeringsadres. Er is volgens het college derhalve sprake van een gezamenlijke huishouding op dit adres vanaf 20 juli 2023. Dit blijkt onder andere uit de eensluidende verklaringen van de buurtbewoners, de waarnemingen van de auto waar [naam ex-partner] gebruik van maakt, de verklaring van [naam werkgever] en de verklaring van de Sociale Recherche [woonplaats] .
Nu verzoekster niet heeft gemeld dat zij en [naam ex-partner] vanaf ten minste 20 juli 2023 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voeren, heeft zij niet voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 van Pro de Participatiewet. De schending van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand.
Standpunt verzoekster
4. Verzoekster stelt dat zij met [naam ex-partner] heeft samengewoond in [woonplaats] . Zij hebben twee kinderen, geboren op 18 mei 2021 en 16 juni 2023. Omdat haar familie in Zeeuws-Vlaanderen woont en zij in [woonplaats] weinig sociale contacten had, heeft verzoekster besloten te verhuizen naar Zeeuws-Vlaanderen. Verzoekster is in mei 2023 verhuisd. Voor [naam ex-partner] bleek het gelet op de afstand tussen [woonplaats] en Zeeuws-Vlaanderen niet mogelijk zijn kinderen regelmatig te bezoeken. Hij heeft werk in Zeeland gezocht om dichter bij zijn kinderen te verblijven. Vanaf augustus 2023 heeft [naam ex-partner] een opleidingstraject bij [naam werkgever] gevolgd in [plaats] . Vanaf oktober 2023 werkt hij in een vestiging van [naam werkgever] in [plaats] . [naam ex-partner] verbleef sinds augustus 2023 vooral bij een vriend ( [naam vriend] ) in [plaats] . Deze vriend is ten onrechte niet gehoord. [naam ex-partner] komt regelmatig bij verzoekster en zijn kinderen. Hij bleef af en toe in de nacht bij verzoekster, dan was ook altijd de neef verzoekster, [naam neef] , aanwezig.
Uit de rapportage van de Sociale Recherche blijkt dat in de woning in [woonplaats verzoekster] geen persoonlijke verzorgingsspullen van [naam ex-partner] zijn aangetroffen. Enkel zijn koffer stond bij de voordeur en zijn jas lag in de woonkamer.
Het college heeft niet aangetoond dat verzoekster en [naam ex-partner] een gezamenlijke huishouding voeren. De auto van [naam ex-partner] is op een groot aantal dagen juist niet aangetroffen bij de woning van verzoekster. Verder betekent de aanwezigheid van de auto van [naam ex-partner] voor de woning van verzoekster niet dat hij ook in de woning aanwezig is.
Het college heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [naam ex-partner] was gelegen in de woning van verzoekster of dat hij daadwerkelijk in de woning woonde.
Uit dossier blijkt verder niet welke inkomsten de heer [naam ex-partner] had. Dat is niet nagevraagd bij werkgevers.
Toetsingskader voorzieningenrechter
5.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.2
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
5.3
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Spoedeisend belang
6. Verzoekster heeft aangegeven dat het verzoek uitsluitend betrekking heeft op de intrekking van haar bijstandsuitkering per 20 juli 2023. Het verzoek ziet niet op de terugvordering en opgelegde boete.
Niet in geschil is dat verzoekster sinds oktober 2023 geen bijstandsuitkering meer heeft ontvangen en thans uitsluitend zorg- en huurtoeslag en kindgebonden budget ontvangt. Het college heeft het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet betwist. De voorzieningenrechter zal daarom een spoedeisend belang aannemen bij het ingediende verzoek.
Intrekking bijstandsuitkering
7.1
De te beoordelen periode loopt in dit geschil van 20 juli 2023 (datum ingang intrekking) tot 29 november 2023 (datum van het primair besluit).
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in dit geval aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het college rust. [1]
7.2
Het college heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat verzoekster niet heeft gemeld dat zij met [naam ex-partner] een gezamenlijke huishouding voerde. Daarmee heeft zij de inlichtingenplicht geschonden.
Is sprake van een gezamenlijke huishouding?
7.3
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter op het gebied van bijstandszaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [2] , volgt dat wanneer uit een relatie een kind is geboren, het bestaan van een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen wanneer betrokkenen hun hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres. Dit is neergelegd in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet en wordt een onweerlegbaar rechtsvermoeden genoemd.
7.4
Vaststaat dat uit de relatie van verzoekster en [naam ex-partner] twee kinderen zijn geboren. Ter discussie staat de vraag of verzoekster en de heer [naam ex-partner] hun hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres.
Hoofdverblijf op hetzelfde adres?
7.5
Het hoofdverblijf van iemand ligt daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Participatiewet buiten beschouwing. [3] Als aannemelijk is dat verzoekster en [naam ex-partner] op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hadden, maakt het niet uit dat zij ingeschreven stonden op verschillende adressen in de BRP.
7.6
Niet in geschil is dat verzoekster haar hoofdverblijf in de te beoordelen periode had op het uitkeringsadres. Verder is, zoals ter zitting is bevestigd, niet in geschil dat [naam ex-partner] niet langer op zijn BRP-adres in [woonplaats] verbleef. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [naam ex-partner] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf ook op het uitkeringsadres had.
7.7
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor de conclusie dat [naam ex-partner] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster] . Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Uit de brief van [naam werkgever] van 9 oktober 2023 volgt dat [naam ex-partner] sinds 7 augustus 2023 werkzaam is bij [naam werkgever] in het filiaal in [plaats] en sinds 2 oktober 2023 in het filiaal in [plaats] . Bij de indiensttreding is in de administratie van [naam werkgever] het uitkeringsadres geregistreerd als woonadres van [naam ex-partner] . [naam ex-partner] heef bij indiensttreding derhalve het adres van verzoekster opgegeven als zijnde zijn woonadres.
Het college heeft van 20 juli tot en met 17 oktober 2023 waarnemingen bij het uitkeringsadres gedaan. De auto waarin [naam ex-partner] reed (een grijze [automerk] ), is in deze periode bij het merendeel van de waarnemingen (31 van de 44 keer), op verschillende dagen en tijdstippen, aangetroffen in de directe omgeving van het uitkeringsadres. Verzoekster heeft verklaard dat [naam ex-partner] de enige persoon was die in deze auto reed.
Verder is uit gesprekken met buurtbewoners gebleken dat zij afzonderlijk van elkaar verklaard hebben dat op het uitkeringsadres een gezin woont, bestaande uit een man, vrouw en twee kinderen. Zij hebben [naam ex-partner] onder andere gezien terwijl hij bezig was met tuinieren en het buitenzetten van vuilnis en hebben met hem gesproken over het plaatsen van een schutting.
Voornoemde bevindingen worden ondersteund door de bevindingen tijdens het huisbezoek op 17 oktober 2023. In de hal stonden schoenen en een koffer met kleding van [naam ex-partner] en in de woonkamer lagen een armbandje en horloge van hem. In de slaapkamer van de woning lagen een bril, verzorgingsproducten en een poststuk van [naam ex-partner] . Dat zijn kleding zich bevond in een koffer en de buren hem ook met die koffer hebben gezien, neemt niet weg dat de kleding in de woning aanwezig was.
Op grond van voornoemde bevindingen uit objectieve bron heeft het college aannemelijk kunnen achten dat [naam ex-partner] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
7.8
Anders dan verzoekster stelt doet het feit dat het college geen onderzoek heeft verricht naar het gestelde verblijf van [naam ex-partner] bij een vriend ( [naam vriend] ) in [plaats] , naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan de bevindingen van het onderzoek van het college. Daarbij kan in het midden blijven of (zoals gesteld door het college, maar betwist door verzoekster) het college gevraagd heeft naar dit adres en [naam ex-partner] dit niet heeft willen geven. De inlichtingen verkregen tijdens het onderzoek komen voort uit een objectieve bron en geven een zodanig beeld dat niet de gewenste waarde kan worden toegekend aan het ontbreken van onderzoek of [naam ex-partner] op een ander adres verblijft. [naam ex-partner] en verzoekster hebben overigens ook zelf geen nadere informatie verstrekt over het adres waar [naam ex-partner] in [plaats] zou verblijven, terwijl de overgelegde verklaring van [naam vriend] enkel vermeldt dat [naam ex-partner] verschillende dagen bij hem verblijft.
7.9
Verzoekster heeft verder gewezen op de verklaring van haar neef, die altijd bij verzoekster zou zijn wanneer [naam ex-partner] aanwezig is. Deze verklaring is niet bepalend voor de vraag waar [naam ex-partner] zijn hoofdverblijf had. Aanwezigheid van de neef sluit immers niet uit dat [naam ex-partner] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
7.1
Het vorenstaande betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het college gevolgd kan worden in de conclusie dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [naam ex-partner] in de te beoordelen periode was gelegen in de woning van verzoekster. Dat betekent dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met [naam ex-partner] .
Schending inlichtingenplicht
7.11
Nu verzoekster bij de aanvraag om bijstand niet heeft aangegeven dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met de [naam ex-partner] , heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van Pro de Participatiewet.
Het college heeft in het bestreden besluit de uitkering ingetrokken omdat schending van deze inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand. [4] Het college stelt dat, rekening houdend met de inkomsten van [naam ex-partner] , er ook geen recht op (aanvullende) bijstand naar de gehuwdennorm bestaat.
7.12
Verzoekster heeft gesteld dat zij niet weet wat het inkomen van [naam ex-partner] is geweest en het haar niet duidelijk is of hij meer verdient dan de bijstandsnorm voor gehuwden.
7.13
Ter zitting heeft de gemachtigde van het college aangegeven dat uit gegevens uit SUWI-net blijkt dat het inkomen van [naam ex-partner] ongeveer € 2.500,- per maand bedraagt en dat dit meer is dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Hoewel deze gegevens zich niet in het procesdossier bevinden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in het kader van deze procedure het college hierin niet te volgen. Uit het dossier (email van 30 oktober 2023 van [naam werkgever] blijkt namelijk wel dat [naam ex-partner] gemiddeld vier dagen in de week bij [naam werkgever] werkt, op verschillende dagen (ook in het weekend) en variabele tijden (ook in de avond). De voorzieningenrechter overweegt dat verwacht mag worden dat het college in de bezwaarfase meer duidelijkheid zal verschaffen omtrent de inkomensgegevens van [naam ex-partner] .

Conclusie en gevolgen

8. Nu de voorzieningenrechter de verwachting heeft dat het besluit van het college tot intrekking van de aan verzoekster verleende bijstandsuitkering in bezwaar stand houdt, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 27 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage – wettelijk kader

Participatiewet
Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b:
Een gezamenlijke huishouding wordt in elk geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
Artikel 17, eerste lid:
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid:
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:941
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1905
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3241
4.Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet.