Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
- dat de rechtmatigheid van het in die informatiebeschikking bedoelde verzoek om informatie niet meer ter discussie kan worden gesteld; en
- dat belanghebbende over de gevraagde informatie heeft beschikt
- dat derhalve ten onrechte niet is voldaan aan de verplichting om de gevraagde informatie te verstrekken.
- dat van de referentiewoningen geen fotomateriaal van de uitpandige situatie is opgenomen;
- dat noch van de woning zelf nog van de referentiewoningen fotomateriaal van de inpandige situatie is opgenomen;
- dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de verschillen tussen de woning van belanghebbende en de referentiewoningen moet worden gewogen.
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek tot vaststellen van een dwangsom af;
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 66,67;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 83,33;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 104,25 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 105 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 24,50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het griffierecht van € 24,50 aan belanghebbende moet vergoeden.