Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
feit 2:in de periode van 16 augustus 2012 tot en met 15 augustus 2018 met zijn minderjarige dochter [slachtoffer 1] ontuchtige handelingen heeft gepleegd;
feit 3:in de periode van 15 februari 2020 tot en met 15 februari 2023 het lichaam van zijn stiefdochter [slachtoffer 2] is binnengedrongen, terwijl zij toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;
feit 4:in de periode van 15 februari 2020 tot en met 15 februari 2023 met zijn minderjarige stiefdochter [slachtoffer 2] , ontuchtige handelingen heeft gepleegd.
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
(Vgl. Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717 en Hoge Raad 23 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094).
(Vgl. Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118).
ontuchtigehandelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte (telkens):
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;
een gevangenisstraf van 3 (drie) jaar;