ECLI:NL:RBZWB:2023:7893
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op 1 januari 2020, die was vastgesteld op €260.000. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en de aanslagen. De rechtbank behandelde het beroep en beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld.
De rechtbank overwoog dat de waarde van de woning in beginsel overeenkomt met de aankoopprijs van €275.000 die belanghebbende op 29 oktober 2019 betaalde. Belanghebbende voerde aan dat de waarde lager moest zijn, mede op grond van het gelijkheidsbeginsel omdat een naastgelegen woning een lagere waarde had. De rechtbank stelde vast dat slechts één vergelijkingsobject was aangevoerd, waardoor niet voldaan werd aan de meerderheidsregel die vereist is voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel.
Daarom slaagde het beroep niet en bleef de WOZ-waarde van €260.000 gehandhaafd, evenals de aanslag OZB. De aanslag watersysteemheffing werd buiten beschouwing gelaten omdat daartegen geen gronden waren aangevoerd. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter M.H. van Schaik op 16 november 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.