ECLI:NL:RBZWB:2023:6900
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens waardevermindering en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen na een hertaxatie waarbij de waardevermindering als gevolg van schade lager werd vastgesteld dan in het oorspronkelijke taxatierapport. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar vermindert deze tot € 865 omdat de waardevermindering niet hoger is dan 72% van de begrote herstelkosten.
Belanghebbende voerde tevens aan dat het systeem in strijd is met artikel 110 VWEU Pro, omdat de BPM hoger zou zijn dan bij gelijksoortige voertuigen uit andere lidstaten. De rechtbank verwerpt dit beroep wegens onvoldoende bewijs van gelijksoortigheid en daadwerkelijke benadeling.
Verder is de redelijke termijn overschreden met 21 maanden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 2.000, waarvan € 667 voor rekening van de inspecteur en € 1.333 voor rekening van de Minister van Justitie en Veiligheid komt.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten van € 1.799 en het griffierecht van € 360 aan belanghebbende. De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar en wijzigt de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking overeenkomstig.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 865 en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.