ECLI:NL:RBZWB:2023:6155

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 september 2023
Publicatiedatum
5 september 2023
Zaaknummer
BRE-22_4126
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens ontbreken deugdelijke verzendadministratie WOZ-beschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking van 2 februari 2022, die volgens de heffingsambtenaar tijdig was verzonden en waartegen het bezwaar te laat was ingediend. De rechtbank beoordeelde of de verzending en daarmee de bekendmaking van de beschikking aannemelijk was gemaakt.

De heffingsambtenaar overlegde een totaalbestand dat naar een organisatie was gestuurd, die de stukken ter verzending aan Intrapost aanbood. Dit overzicht voldeed echter niet aan de eisen van een deugdelijke verzendadministratie, omdat niet duidelijk was wanneer en aan welk postvervoersbedrijf de beschikking was aangeboden. Er was geen sluitend bewijs van verzending en de aansluiting tussen het aanslagbiljet en het verzendbestand ontbrak.

De rechtbank oordeelde dat daardoor niet is aangetoond dat de beschikking op juiste wijze is verzonden en bekendgemaakt. Het bezwaar was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep werd dan ook gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.

Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat de redelijke behandeltermijn niet was overschreden.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd wegens ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4126

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 augustus 2022, betreffende de WOZ-beschikking voor het object [adres] te [plaats 2] met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. De beschikking heeft als dagtekening 2 februari 2022 en zou op diezelfde dag aan belanghebbende zijn verzonden.
4. Het bezwaarschrift, gedagtekend 4 maart 2022, is op 6 april 2022 bij de heffingsambtenaar ontvangen.
5. Belanghebbende betwist de ontvangst en daarmee de verzending van de beschikking. Het is dan aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de beschikking is verzonden. Daarbij is in ieder geval vereist dat de beschikking is voorzien van een juiste adressering en een verzenddatum en dat er sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
6. De heffingsambtenaar heeft een uitdraai overgelegd van een bestand dat naar [organisatie] is verstuurd. Dit overzicht is een totaalbestand met meerdere aanslagen/beschikkingsbiljetten. [organisatie] biedt vervolgens de aanslagen/beschikkingsbiljetten ter verzending aan aan Intrapost.
7. De rechtbank oordeelt dat het overgelegde bestand niet is aan te merken als een deugdelijke verzendadministratie. Wil een verzendadministratie deugdelijk zijn, dan moet hieruit duidelijk blijken wanneer het poststuk is aangeboden aan welk postvervoersbedrijf. Dat is hier niet het geval. Uit de overgelegde stukken blijkt niet wanneer de beschikking ter verzending aan een postvervoersbedrijf is aangeboden. De rechtbank kan geen aansluiting maken tussen het volgnummer op het aanslagbiljet met het – volgens de heffingsambtenaar – corresponderende nummer van een totaalbestand waar het volgnummer in is verwerkt. Verder is geen afdoende bewijs geleverd van aanbieding aan een postvervoersbedrijf. Een e-mail van [organisatie] dat een bepaalde hoeveelheid stukken aan een postvervoersbedrijf is aangeboden is daarvoor niet voldoende.
8. Nu geen deugdelijke verzendadministratie is overgelegd, is niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking is verzonden en daarmee op de juiste wijze bekend is gemaakt.
9. Het bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar moet alsnog inhoudelijk op het bezwaar beslissen.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De heffingsambtenaar moet die vergoeding betalen. De vergoeding bedraag € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). [1]
12. De rechtbank wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af, aangezien de redelijke behandeltermijn in eerste aanleg niet is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 365,- aan belanghebbende te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 418,50;
- wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 6 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
(de rechter is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten