Belanghebbende heeft verzoeken ingediend tot teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2006/2007, 2007/2008 en 2009/2010 tot en met 2013/2014, welke door de inspecteur zijn afgewezen. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op teruggaaf op grond van het Unierecht en het fbi-regime.
De rechtbank stelt vast dat voor boekjaren vanaf 1 januari 2008 het regime van afdrachtvermindering geldt en daarvoor de oude teruggaafregeling voor fiscale beleggingsinstellingen (fbi). De rechtbank volgt de arresten van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 en 9 april 2021, waarin is bepaald dat buitenlandse beleggingsfondsen die niet in Nederland gevestigd zijn, slechts onder voorwaarden recht hebben op teruggaaf of afdrachtvermindering.
Belanghebbende heeft niet ingestemd met een vervangende betaling zoals vereist, noch aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de aandeelhouderseisen en dooruitdelingseis van het fbi-regime. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen recht op rentevergoeding. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.