ECLI:NL:RBZWB:2023:2565
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) door de rechtbank
Op 17 april 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen een belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm). De belanghebbende had op 21 februari 2021 aangifte gedaan voor de registratie van een auto, waarbij een te betalen Bpm van € 11.499 was aangegeven. De inspecteur legde echter een naheffingsaanslag op van € 6.253, wat leidde tot bezwaar van de belanghebbende. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna de belanghebbende in beroep ging.
De rechtbank heeft de zaak op 23 maart 2023 behandeld. De kern van het geschil betrof de vraag of de hertaxateur voldoende deskundig en onafhankelijk was en of er rekening was gehouden met een waardevermindering wegens schade aan de auto. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur zijn standpunt op een toelaatbare wijze had onderbouwd en dat de hertaxateur deskundig en objectief was. De rechtbank verwierp de stelling van de belanghebbende dat de naheffingsaanslag vernietigd moest worden op basis van de deskundigheid van de hertaxateur.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor de door hem gestelde schade aan de auto. Normale gebruiksschade, zoals slijtage en kleine beschadigingen, kon niet in mindering worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en verklaarde het beroep van de belanghebbende ongegrond. De belanghebbende kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.