ECLI:NL:RBZWB:2023:1941
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde appartement en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende betwist de WOZ-waarde van zijn appartement, vastgesteld op €266.000, en stelt dat deze maximaal €233.000 zou moeten zijn. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde, onderbouwd met een taxatierapport en vergelijkingsmethode met negen referentieobjecten uit hetzelfde appartementencomplex.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet tijdig alle gevraagde gegevens, zoals koudv- en liggingsfactoren, heeft verstrekt, wat een schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ inhoudt. Dit gebrek is echter in beroep hersteld en leidt niet tot vernietiging van de beschikking.
Verder concludeert de rechtbank dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt, waarbij rekening is gehouden met bouwjaar, inhoud, ligging en reserves van de vereniging van eigenaren. Belanghebbende slaagt er niet in aan te tonen dat de woning slechter is dan de referentieobjecten.
Belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €150 wegens overschrijding van de redelijke termijn met 13 maanden, waarvan €11,54 voor rekening van de heffingsambtenaar en €138,46 voor de Staat. Daarnaast worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag onroerende-zaakbelastingen gehandhaafd blijven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de WOZ-waarde van €266.000, kent een immateriële schadevergoeding toe en veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat tot betaling van proceskosten en schadevergoeding.