ECLI:NL:RBZWB:2023:1389
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen belastingrentebeschikking teruggaaf omzetbelasting 2017
Belanghebbende voerde beroep aan tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de belastingrentebeschikking over de teruggaaf omzetbelasting 2017. De inspecteur had een teruggaaf omzetbelasting verleend en daarbij een belastingrente van €344 vastgesteld. Belanghebbende stelde dat zij recht had op een hogere vergoeding van belastingrente, gelet op het hogere bedrag aan belastingrente dat zij over 2016 had betaald.
De rechtbank overwoog dat de wettelijke regeling voor belastingrente een onderscheid maakt tussen naheffingsaanslagen en teruggaafbeschikkingen, waarbij de aanvang van het rente tijdvak bij teruggaaf aansluit op de datum van het teruggaafverzoek. Dit verklaart het verschil in rentehoogte tussen 2016 en 2017. De rechtbank vond geen aanleiding om af te wijken van deze wettelijke regeling, ook niet op grond van bijzondere omstandigheden of algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende geen recht heeft op een aanvullende vergoeding van belastingrente over 2017. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de belastingrentebeschikking over 2017 is ongegrond verklaard, geen aanvullende belastingrente wordt toegekend.