ECLI:NL:RBZWB:2022:7143
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen afwijzing kinderopvangtoeslag en niet tijdig beslissen bezwaar
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor kinderopvangtoeslag over 2016-2018. De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen rechtsgeldig en gegrond is, maar dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het bezwaar inhoudelijk heeft afgewezen.
De afwijzing is gebaseerd op het feit dat de echtgenote van eiseres in de betreffende jaren niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (Wko), omdat zij niet werkte, geen opleiding volgde en geen re-integratietraject volgde. Hierdoor hadden eiseres en haar partner geen recht op kinderopvangtoeslag. Eiseres betoogde dat de situatie van haar echtgenote, die om medische redenen niet kon zorgen, anders beoordeeld moest worden, maar de rechtbank volgt dit niet omdat de wetgever deze situatie heeft ondergebracht bij de sociaal-medische indicatie (SMI) via gemeenten.
Verder oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van begunstigend beleid of schending van informatieplicht door de Belastingdienst. Ook de beroepen op evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel en diverse Europeesrechtelijke bepalingen slagen niet. De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en proceskosten in verband met het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig beslissen gegrond, beroep tegen afwijzing toeslag ongegrond, Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding griffierecht en proceskosten.