ECLI:NL:RVS:2019:3896
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderopvangtoeslag wegens ontbreken toeslagpartner en arbeidseis
Appellante ontving in 2015 voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluit van 3 maart 2017 vast dat zij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag en vorderde €16.269,00 terug wegens teveel ontvangen voorschotten. Dit besluit werd bij bezwaar en rechtbank onherroepelijk bevestigd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte haar toeslagpartner had aangemerkt, omdat deze haar pleegmoeder zou zijn. Zij stelde dat dit onderscheid in de fiscale jurisprudentie leidt tot ongerechtvaardigde discriminatie. Tevens betoogde zij dat haar toeslagpartner niet voldeed aan de arbeidseis omdat deze een Ziektewetuitkering ontving en onvoldoende was onderzocht of zij arbeid verrichtte.
De Afdeling oordeelde dat appellante onvoldoende had aangetoond dat zij als pleegkind in de zin van de Awir kan worden aangemerkt, omdat de onderhoudseis niet was voldaan en geen pleegzorgvergoeding was ontvangen. De toeslagpartner werd terecht aangemerkt op grond van inschrijving in de basisregistratie personen op hetzelfde adres met een minderjarig kind. De arbeidseis uit artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang is van toepassing en de omstandigheden van een Ziektewetuitkering zonder re-integratietraject geven geen recht op kinderopvangtoeslag.
De Afdeling bevestigde daarom het bestreden vonnis en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; terugvordering kinderopvangtoeslag bevestigd.