Uitspraak
STICHTING OPENBAAR BASISONDERWIJS WEST-BRABANT,
1.Het verloop van het geding
2.De feiten
3.Het geschil
€ 65.750,00.
4.De beoordeling
1.496,00
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De werknemer trad in 2002 in dienst bij Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant (OBO) en werd in 2020 tijdelijk directeur van een basisschool binnen OBO. Na een verschil van visie werd zij per 25 februari 2021 ontheven van haar functie. Zij werd door de voorzieningenrechter in kort geding op 10 mei 2021 veroordeeld om haar binnen 24 uur toe te laten tot haar werkplek en haar werkzaamheden te laten hervatten, onder dreiging van een dwangsom.
Ondanks dit vonnis schorste OBO de werknemer op 14 mei 2021 en verlengde deze schorsing op 11 juni 2021 en 10 september 2021. De werknemer stelde dat deze schorsingen onrechtmatig waren en dat OBO in strijd handelde met het kort gedingvonnis. OBO voerde aan dat de schorsingen noodzakelijk waren vanwege onrust binnen het managementteam en een opzegging van een detacheringsovereenkomst, en dat de werknemer niet wilde meewerken aan mediation.
De rechtbank oordeelde dat OBO niet had mogen schorsen omdat zij niet had geprobeerd de bezwaren van het managementteam te bespreken en dat de opzegging van de detacheringsovereenkomst niet aan de werknemer te wijten was. Ook was de ontbindingsprocedure geen grond voor schorsing, mede omdat OBO ernstig verwijtbaar had gehandeld. OBO verbeurde daardoor dwangsommen vanaf 13 mei tot 29 oktober 2021, die zij aan de werknemer moet betalen. Verder werden de proceskosten aan de zijde van de werknemer toegewezen.
In reconventie werd geoordeeld dat OBO de werknemer vanaf 29 oktober 2021 terecht van haar werkzaamheden kon ontheffen wegens de erkende verstoorde arbeidsverhouding. De overige vorderingen van OBO werden afgewezen.
Uitkomst: OBO heeft werknemer onterecht geschorst en verbeurt dwangsommen van €42.500,00 plus rente; schorsingen worden onrechtmatig verklaard en OBO veroordeeld in proceskosten.