ECLI:NL:RBZWB:2022:5091
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde en aanslag na onvoldoende onderbouwing door heffingsambtenaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar appartement, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op € 240.000. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van deze waarde, waarbij de heffingsambtenaar een taxatierapport en vergelijkingsobjecten aanvoerde. Belanghebbende betwistte onder meer de gehanteerde grootte en de wijze van waardebepaling, waaronder de toepassing van de liggingswaarde en de verrekening van het VvE-reservefonds.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast niet voldoende had vervuld, met name vanwege onduidelijkheid over de liggingswaarde en de wijze van verrekening van het VvE-reservefonds. Belanghebbende slaagde er evenmin in haar lagere waarde aannemelijk te maken. Daarom stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op € 235.000.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden met vijf maanden, waarvoor belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 werd toegekend. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
De uitspraak vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar, verminderde de WOZ-waarde en aanslag, en legde de financiële consequenties bij de heffingsambtenaar en de Minister van Justitie en Veiligheid.
Uitkomst: De WOZ-waarde en aanslag worden verminderd tot € 235.000 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens termijnoverschrijding.