Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken van de inspecteur die de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2014 en 2015 hebben afgewezen. De rechtbank heeft het beroepschrift inhoudelijk beoordeeld en vastgesteld dat het beroep uitsluitend betrekking heeft op deze jaren, niet op 2013.
De rechtbank overweegt dat op grond van het overgangsrecht van artikel XXVI van de wet Overige fiscale maatregelen 2008, het regime van de afdrachtvermindering geldt voor verzoeken vanaf het boekjaar 2008. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor tegemoetkoming via de afdrachtvermindering. Belanghebbende heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd die aanleiding geven tot een ander oordeel of het stellen van prejudiciële vragen.
Zelfs bij een veronderstelde belemmering zou belanghebbende geen voordeel hebben, omdat rechtsherstel volgens de Hoge Raad plaatsvindt via een vervangende betaling, die niet hoger kan zijn dan de afdrachtvermindering. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat deze wijze van rechtsherstel strijdig is met het Unierecht.
Daarom worden de beroepen ongegrond verklaard. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van dividendbelasting, geen rentevergoeding en ook geen proceskostenvergoeding. Het griffierecht blijft voor rekening van belanghebbende.