ECLI:NL:RBZWB:2022:3028

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2022
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
BRE-22_232
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:74 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar parkeerbelasting wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank beoordeelt of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht is en of de hoorplicht is nageleefd.

De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019, waarin is vastgesteld dat de heffingsambtenaar zorgvuldigheid moet betrachten en niet zonder meer een bezwaar niet-ontvankelijk mag verklaren zonder de belanghebbende eerst de kans te geven zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Uit het dossier blijkt dat deze gelegenheid niet is geboden, ook niet ondanks dat belanghebbende een professionele gemachtigde heeft.

Daarom oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar tekort is geschoten in zijn zorgvuldigheidsplicht en wijst het beroep toe. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor een nieuwe beslissing met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten voor juridische bijstand.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen naar de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 22/232
uitspraak van 3 juni 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal,

de heffingsambtenaar.

Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer].
Tussen partijen is in geschil of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in verband met overschrijding van de bezwaartermijn en of de hoorplicht is geschonden.
In het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019 [1] is geoordeeld dat de door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat bij belanghebbende in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet volgt dat belanghebbende door de heffingsambtenaar in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de reden dat het bezwaar is ingediend (uitgaande van de dagtekening van de naheffingsaanslag) nadat de bezwaartermijn is verstreken. Het had op de weg gelegen van de heffingsambtenaar om dat wel te doen. Dat sprake is van een professionele gemachtigde maakt dat niet anders gelet op het hiervoor aangehaalde arrest. Nu de heffingsambtenaar dit ten onrechte heeft nagelaten en belanghebbende in het beroepschrift heeft verzocht om terugwijzing naar de heffingsambtenaar, zal de rechtbank aan dat verzoek voldoen en deze zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar.
Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond.
Nu het beroep kennelijk gegrond is, dient de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 379,50. Dit bedrag is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 0,5 [2] ).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten ten bedrage van € 379,50;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan deze vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
(de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen)
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

2.Gelet op Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11-11-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315, Bijlage: Richtsnoer proceskostenvergoeding