Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was beherend vennoot in een commanditaire vennootschap en bracht in 1993 zijn vennootschapsaandeel in een BV in, waarbij een stamrecht werd bedongen. In 1999 verkocht hij zijn aandelen in de BV, waarbij de koopsom werd vastgesteld zonder koppeling aan de lijfrenteverplichting die uit het stamrecht voortvloeide. De BV werd in 2018 ontbonden zonder dat belanghebbende lijfrente-uitkeringen ontving.
Belanghebbende diende meerdere aangiften inkomstenbelasting in over 2018, waarbij hij een verlies uit aanmerkelijk belang opvoerde dat hij eerst aan zijn echtgenote toebedeelde en later aan zichzelf. De inspecteur accepteerde dit verlies niet en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat de lijfrenteverplichting geen onderdeel uitmaakt van de overdrachtsprijs van de aandelen en dat er geen verlaging van de overdrachtsprijs is in de zin van artikel 4.29 Wet IB 2001. Daarnaast faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat het enkel volgen van een aangifte onvoldoende is om een beschermwaardig vertrouwen te creëren dat het verlies zou worden geaccepteerd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het verlies uit aanmerkelijk belang wordt niet geaccepteerd.