Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een inwoner van Nederland sinds 2008 met de Belgische nationaliteit, ontving in 2012 pre-pensioenuitkeringen uit België. Hij deed aangifte inkomstenbelasting en gaf aan niet verplicht verzekerd te zijn voor AOW en Anw. De SVB verleende ontheffing van verzekeringsplicht pas vanaf 17 september 2014, nadat belanghebbende het verzoek indiende. Het verzoek om terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 werd afgewezen omdat het niet binnen de wettelijke termijn was ingediend.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en belastingrente, maar dit werd ongegrond verklaard. Zowel de bestuursrechter als de Centrale Raad van Beroep bevestigden de SVB-beslissing. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende als ingezetene in 2012 premieplichtig was voor AOW en Anw, ongeacht het feit dat hij nooit in Nederland heeft gewerkt of AOW-uitkering wenst.
De rechtbank wijst erop dat de belastingrechter niet bevoegd is om de bestuursrechtelijke beslissing van de SVB te toetsen. Ook de hoogte van de belastingrente is volgens de rechtbank correct berekend conform de wet. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de aanslag en belastingrente gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag en belastingrente worden gehandhaafd.